Miet Schijns: verschil tussen versies

 
Regel 1: Regel 1:
 +
[[Bestand:5663.jpg|300px|right|thumb]]
 
Marie (Miet) Françoise Louise Joseph Schijns (geb. Tilburg 21-06-1896 – gest. Eindhoven 13-05-1984), actief in het verzet gedurende de Tweede Wereldoorlog. Dochter van Arnold François Joseph Schijns (1854 – 1943) en Louise Gerardina Broekhans (1861 – 1911). Miet Schijns blijft ongetrouwd.  
 
Marie (Miet) Françoise Louise Joseph Schijns (geb. Tilburg 21-06-1896 – gest. Eindhoven 13-05-1984), actief in het verzet gedurende de Tweede Wereldoorlog. Dochter van Arnold François Joseph Schijns (1854 – 1943) en Louise Gerardina Broekhans (1861 – 1911). Miet Schijns blijft ongetrouwd.  
  
Regel 7: Regel 8:
  
 
====Tweede Wereldoorlog====
 
====Tweede Wereldoorlog====
 +
[[Bestand:5680.jpg|300px|right|thumb]]
 
Tijdens de Tweede Wereldoorlog woont Schijns, samen met haar zus Net en haar vader, aan het Wilhelminapark (dan Noorderpark genoemd). Vader Schijns is gestopt met werken en heeft een zwakke gezondheid. Hij wordt verzorgd door zijn dochters. In de begindagen van de oorlog woont ook zus Jeanne bij hen in. Daarnaast hebben ze een inwonende hulp in de huishouding, Nina (Wilhelmina Maria van Gestel, 1903-1985).
 
Tijdens de Tweede Wereldoorlog woont Schijns, samen met haar zus Net en haar vader, aan het Wilhelminapark (dan Noorderpark genoemd). Vader Schijns is gestopt met werken en heeft een zwakke gezondheid. Hij wordt verzorgd door zijn dochters. In de begindagen van de oorlog woont ook zus Jeanne bij hen in. Daarnaast hebben ze een inwonende hulp in de huishouding, Nina (Wilhelmina Maria van Gestel, 1903-1985).
  
Regel 29: Regel 31:
  
 
====Na de oorlog====
 
====Na de oorlog====
 +
[[Bestand:Fragment-dagboek-Miet-Schijns-bevrijding.jpg|300px|right|thumb]]
 
Na de bevrijding, 27 oktober 1944, vertrekken alle onderduikers. In plaats daarvan krijgen de zussen Schijns Schotse en Canadese militairen ingekwartierd. Ze kunnen het goed vinden met hun bevrijders, en dankzij de Engelse lessen, die ze in de tweede helft van 1942 zijn gaan volgen, kunnen ze goed met elkaar communiceren. In december 1944 sluiten ze zich aan bij een groep van voormalige verzetsmensen. Schijns is echter niet zo te spreken over de manier waarop er vergaderd wordt. Ze schrijft: “ ’t Lijkt me dat het werken ondergronds vlotter ging dan nu het vergaderen en ’t bestuur leek me nogal dictatoriaal. Enfin, maar eens zien wat het wordt.” Zowel zij als zus Net sluiten zich aan bij de GOIWN (Vereniging Gemeenschap Oud Illegale Werkers Nederland).  
 
Na de bevrijding, 27 oktober 1944, vertrekken alle onderduikers. In plaats daarvan krijgen de zussen Schijns Schotse en Canadese militairen ingekwartierd. Ze kunnen het goed vinden met hun bevrijders, en dankzij de Engelse lessen, die ze in de tweede helft van 1942 zijn gaan volgen, kunnen ze goed met elkaar communiceren. In december 1944 sluiten ze zich aan bij een groep van voormalige verzetsmensen. Schijns is echter niet zo te spreken over de manier waarop er vergaderd wordt. Ze schrijft: “ ’t Lijkt me dat het werken ondergronds vlotter ging dan nu het vergaderen en ’t bestuur leek me nogal dictatoriaal. Enfin, maar eens zien wat het wordt.” Zowel zij als zus Net sluiten zich aan bij de GOIWN (Vereniging Gemeenschap Oud Illegale Werkers Nederland).  
  

Huidige versie van 28 nov 2019 om 21:20

5663.jpg

Marie (Miet) Françoise Louise Joseph Schijns (geb. Tilburg 21-06-1896 – gest. Eindhoven 13-05-1984), actief in het verzet gedurende de Tweede Wereldoorlog. Dochter van Arnold François Joseph Schijns (1854 – 1943) en Louise Gerardina Broekhans (1861 – 1911). Miet Schijns blijft ongetrouwd.

Miet Schijns is de vierde dochter uit een gezin van zes kinderen, bestaande uit vijf meisjes en een jongen. Na een lang ziekbed overlijdt haar moeder. Miet is dan bijna vijftien jaar oud. Zij heeft één broer, Antoine. Deze sterft in 1931 en laat een weduwe en zoon achter. De jongste zus Louïse (Wies) trouwt, de vier andere zussen blijven ongehuwd. De twee oudsten, Thérèse en Jeanne, gaan het klooster in. Met haar oudere zus Net woont Miet jarenlang aan het Wilhelminapark, op nummer 34. Vader Schijns heeft daar een bedrijf in machines en accessoires, A. Schijns fils. Eind negentiende eeuw is hij vanuit Verviers (België) naar Tilburg gekomen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vangt het gezin Schijns diverse Belgische vluchtelingen in huis op. Daarnaast krijgen ze officieren uit het Nederlandse leger ingekwartierd. Het huis is een tijdje overvol. De zussen staan zelfs hun eigen bed af om de vluchtelingen een plekje te geven.

In de jaren twintig is Miet Schijns actief voor studentenvereniging Sint Leonardus. Waarschijnlijk studeert zij aan de R.K. Leergangen in Tilburg. Haar persoonskaart vermeldt dat zij boekhoudster is. In 1924 werkt zij mee aan het organiseren van een “letterkundige kursus” van Dr. Moller. Van 1919 tot 1947 schrijft Schijns in haar dagboeken over die dingen die zij meemaakt. De frequentie waarmee ze schrijft wisselt, maar in de oorlogsjaren schrijft ze bijna dagelijks.


Tweede Wereldoorlog

5680.jpg

Tijdens de Tweede Wereldoorlog woont Schijns, samen met haar zus Net en haar vader, aan het Wilhelminapark (dan Noorderpark genoemd). Vader Schijns is gestopt met werken en heeft een zwakke gezondheid. Hij wordt verzorgd door zijn dochters. In de begindagen van de oorlog woont ook zus Jeanne bij hen in. Daarnaast hebben ze een inwonende hulp in de huishouding, Nina (Wilhelmina Maria van Gestel, 1903-1985).

Op 10 mei 1940 begint Miet aan een nieuw dagboekschrift: “ ’t Is wel op een ongeluksdatum dat ik dit nieuwe dagboek moet beginnen. Gisteren leefden we nog zo rustig en kalm en nu zitten we opeens al midden in de ellende.” Wanneer de Duitsers in mei 1940 ons land binnenvallen, zijn de zussen Schijns voorbereid. Zodra het luchtalarm afgaat, gaan ze naar de kelder, die ze in de maanden daarvoor al hebben ingericht. Ook mensen uit de buurt maken hier gebruik van. In de eerste dagen van de oorlog worden verschillende kennissen, die door de oorlogshandelingen getroffen zijn, in huize Schijns opgevangen. Onder de vluchtelingen zijn veel kinderen, waardoor het nogal druk is in huis. Slaapplaatsen worden geïmproviseerd, er wordt eten gekookt en men richt zich naar de omstandigheden. Omdat er veel extra monden te voeden zijn en sommige producten al snel schaars worden, wordt er van meet af aan zuiniger geleefd.


Anti-Duits

Al vanaf het begin van de Duitse bezetting is Miet duidelijk anti-Duits. Ook heeft ze niets op met landverraders: “Je hoort genoeg staaltjes van dapperheid, maar helaas nog veel meer van verraad. Ik schaam me dat er onder mijn landgenoten zoveel landverraders schuilen.” In juni en juli 1940 bezoekt Schijns, “gewapend met wat flessen wijn”, gewonde Franse krijgsgevangenen in het ziekenhuis. Zij heeft met hen te doen en is dankbaar dat zij gevochten hebben voor de vrijheid. Wanneer de gevangenen op transport gaan naar Duitsland, maakt ze voor een aantal een pakket met daarin ook een fles wijn en een Frans vlaggetje. “Die hebben we veiligheidshalve maar weer terug mee naar huis genomen (…)”, aldus Miet. In 1941 stuurt ze via het Rode Kruis diverse pakjes naar Engelse krijgsgevangenen. Ook bezoekt zij de graven van Nederlandse en Franse soldaten.

In september 1940 krijgt het gezin Schijns een Duitser ingekwartierd: “De inkwartiering is gisterenavond gekomen en al zijn we anders gastvrij van aard, zo’n soldaat van de vijandelijke bezetting kan recht van de huisdeur naar z’n slaapkamer marcheren.” Miet Schijns schrijft daarover verder in haar dagboek dat ze het amusant vindt naar de Engelse radio te luisteren terwijl “onze mof” op zijn kamer is. Op 31 december 1940 schrijft Schijns dat ze vijandig staat tegen alle Duitse veranderingen: “Niets kun je doen, me dunkt als we maar konden meewerken aan onze bevrijding dat zou zo’n grote opluchting zijn. Maar we verliezen de moed niet, onze goede tijd komt.” Dat meewerken aan de bevrijding zou ze later in de oorlog gaan doen. Ondertussen uit zij haar gevoelens op een andere manier. Als op 31 januari 1940 prinses Beatrix verjaart, zet zij een mandje met witte hyacinten en een rood-wit-blauwe strik voor het raam. Aan de andere kant prijkt een boeket oranje ‘lampionnetjes’. Ze vindt het leuk om te zien hoeveel voorbijgangers er goedkeurend naar knikken en lachen. Op 30 april 1942 staan er oranje bloemen voor de ramen en “toen we na school naar de stad gingen tipte er toevallig een oranje zakdoek uit mijn mantelpak”. Daarnaast kopen de zussen Schijns een tegeltableau voor in de gang. Het stelt het schip de 7 Provinciën voor met vier wapperende Hollandse vlaggen erop.

In januari 1942 schrijft Miet in haar dagboek over een treffen met de beruchte Tilburgse NSB-politieagent Piet Gerrits. Schijns wordt door hem aangesproken op het dragen van een rood-wit-blauw speldje. Hij gebiedt haar het speldje af te doen, waarop Schijns vraagt of ze haar eigen vaderlandse kleuren niet meer mag dragen. Daarop volgt een korte aanvaring, waarbij beide zussen hun minachting niet onder stoelen of banken steken.


Verzetswerk

In maart 1942 krijgen de zussen Schijns via Jan Donders het verzoek om voor een nacht twee uit Duitsland ontvluchtte Franse krijgsgevangenen in huis te nemen. Hoewel ze op dat moment met een verbouwing bezig zijn en eigenlijk geen kamer gereed hebben, doen ze hun best om de logeerkamer zo snel mogelijk bewoonbaar te maken. Het gaat om de Franse krijgsgevangenen Marcel Vigoureux en Henry Vilmet. Zij worden de volgende dag weer opgehaald voor verder transport naar België. Na de oorlog worden de dames Schijns voor deze daad voorgedragen voor een Franse onderscheiding. Gedurende 1942 blijven er vaker mensen bij de Schijnsen overnachten die beter even niet thuis kunnen slapen, bijvoorbeeld omdat ze aan de Arbeitseinsatz wil ontsnappen. Andere gasten die tijdelijk bij Schijns verblijven, zijn een zoontje van een Amsterdamse verzetsman, een frater die gedeserteerd is uit het Duitse leger en ene Hans van Dijk van de KP in het Zuiden.

In het voorjaar van 1943 ontstaat er een verzetsgroep waar de zussen Schijns deel van uitmaken. In deze groep zijn ook Paula Mandos, frater Frederico van Dongen (“ome Frits” in het verzet), Agnes Franken-Keijzer] en zoon Jan (buren van Wilhelminapark 36) en Jan Bloemen actief. Later wordt ook contact gelegd met onder andere Jo Verschuuren en pater Rembertus de Haan (“Rooie Rem”). In 1944 is het een komen en gaan van mensen die bij de zussen Schijns een onderduikadres vinden. Zo blijft Jan Franken, verzetsman en buurman van nummer 36, regelmatig slapen, evenals Piet van Hoeckel. Ook hij is actief in het verzet. Een aantal keren wordt er ’s nachts bij Schijns aangeklopt voor een huiszoeking. Men is op zoek naar mannen voor de Arbeitseinsatz. Men denkt dat broer Toine nog leeft en komt hem ophalen. Gelukkig kunnen de zussen een bidprentje laten zien, als bewijs van zijn overlijden. De onderduikers kunnen op het nippertje ontsnappen via de achtertuin.

Op 6 oktober 1944 komt er via Jan Franken een Amerikaanse piloot bij Schijns terecht: John Coleman. Miet en Net Schijns bieden hem onderdak, voor de maaltijden gaat hij naar de familie Franken, twee deuren verderop. Coleman kan het goed vinden met de Franse piloot, Marcel Gallay, die bij het echtpaar De Cock-Marchand in de Gasthuisstraat ondergedoken zit. De piloten brengen regelmatig tijd met elkaar door. Een dag nadat Tilburg op 27 oktober wordt bevrijd, gaan beide piloten via België op weg naar hun basis. Na de oorlog komt Coleman nog een keer bij Schijns op bezoek. Het huis van de zussen wordt niet alleen gebruikt om mensen te laten onderduiken, het is ook een vergaderplek voor het verzet. Zo wordt er bijvoorbeeld een complot gesmeed om Gerrits te vermoorden. Deze aanslag mislukt echter, omdat Gerrits op de geplande dag in gezelschap van Duitsers is. Daarnaast worden er in het huis aan het Wilhelminapark zaken opgeslagen die niet gevonden mogen worden door de Duitsers. Vanuit het huis worden bonkaarten en geld voor onderduikers verdeeld. Vlak voor de bevrijding verbergen ze op verzoek een blokje fosfor (brandgevaarlijk) in hun tuin. Verder worden er boodschappen ontvangen en doorgegeven aan het verzet.


Na de oorlog

Fragment-dagboek-Miet-Schijns-bevrijding.jpg

Na de bevrijding, 27 oktober 1944, vertrekken alle onderduikers. In plaats daarvan krijgen de zussen Schijns Schotse en Canadese militairen ingekwartierd. Ze kunnen het goed vinden met hun bevrijders, en dankzij de Engelse lessen, die ze in de tweede helft van 1942 zijn gaan volgen, kunnen ze goed met elkaar communiceren. In december 1944 sluiten ze zich aan bij een groep van voormalige verzetsmensen. Schijns is echter niet zo te spreken over de manier waarop er vergaderd wordt. Ze schrijft: “ ’t Lijkt me dat het werken ondergronds vlotter ging dan nu het vergaderen en ’t bestuur leek me nogal dictatoriaal. Enfin, maar eens zien wat het wordt.” Zowel zij als zus Net sluiten zich aan bij de GOIWN (Vereniging Gemeenschap Oud Illegale Werkers Nederland).

Voor hun pilotenhulp ontvangen zij na de oorlog een ‘grade 5’ onderscheiding. Deze onderscheiding wordt gegeven aan mensen die direct contact hebben gehad met een piloot en hem geholpen hebben, bijvoorbeeld door hem onderdak te verschaffen voor minstens één nacht. Na de oorlog schrijft Miet Schijns nog een paar jaar in haar dagboek. In juli 1947 stopt zij plotseling met schrijven. Zij schrijft daarvoor een paar keer dat ze zich moe voelt, misschien ook omdat zus Wies met haar man en kinderen bij haar en Net inwoont. De drukte valt haar soms zwaar.

In 1977 verhuizen Miet en Net Schijns naar de Indigolaan nr. 96b, ook in Tilburg. In 1981 overlijdt Net. Miet verhuist in 1983 naar Eindhoven, naar de Herman Gorterlaan. Daar overlijdt zij op 13 mei 1984, 88 jaar oud.


Auteur: Natasja Zeegers


Bronnen

Regionaal Archief Tilburg:

CBG: persoonskaarten

www.delpher.nl

  • Nieuwe Tilburgsche Courant 06-07-1911, 22-01-1924, 30-12-1943

GOIWN

www.genealogieonline.nl

www.geni.com

Genealogisch pagina met familie Schijns

Blog over de dagboeken zussen Schijns