1940-1945; Het verhaal van de Familie Van Strien - Broeders: verschil tussen versies

(Nieuwe pagina aangemaakt met 'Het verhaal verteld door Dymphie Vissers-van Strien, dochter van Huub van Strien (1910) en Anna van Strien-Broeders (1909) en zus van Kees van Strien aan boord van...')
(geen verschil)

Versie van 8 okt 2019 om 21:21

Het verhaal verteld door Dymphie Vissers-van Strien, dochter van Huub van Strien (1910) en Anna van Strien-Broeders (1909) en zus van Kees van Strien aan boord van het sleepschip Mastaï, een Dortmunder, tijdens WO II

Sleepschepen, als onze “Mastaï”, werden met 5 of 6 schepen achter elkaar, achter een grote Rijnsleepboot gekoppeld en voeren dan als een lange trein over het water. Zoveel als mogelijk geladen met vracht van Rotterdam, heen en weer, naar vele plaatsen in Duitsland, Duisburg, Hannover, Keulen tot aan Straatsburg aan toe. Soms deden we in Duitsland een “binnenlandse” reis, bijv. van Dortmund naar Koblenz. Het gaat niet zo vlug met een sleepschip, we waren altijd lang onderweg. Soms was het 3 maanden, maar soms duurde het wel een half jaar eer we Nederland weer zagen. Gedurende de crisis en de eerste jaren van de oorlog, verliep het leven voor ons en de Nederlandse schippers nog min of meer normaal.

Een paar keer per jaar, als we met onze “Mastaï” in Rotterdam afgemeerd lagen, gingen we met ons hele gezin, met de trein en de bus, op familiebezoek naar Raamsdonksveer. We hadden dan onze thuishaven bij Opa en Opoe Broeders.

In de lente van 1943 zijn we met het gezin op ’t Veer voor familiebezoek. Omdat de oorlog grimmiger werd en de tijd zo onzeker was, laten pa en ma, bij Hageman van ons gezin een mooie portretfoto maken, met in hun hoofd de gedachte, als door het oorlogsgeweld met ons iets “ergs” zou gebeuren, er voor Opa en Opoe een foto ter herinnering zou zijn.

=Vluchtkoffer

Ons pa had ter voorbereiding op het onbekende een houten vluchtkoffer gemaakt met daarin de belangrijkste papieren, de spaarzame foto’s, wat dierbare herinneringen en voor ons allemaal wat ondergoed en kleding. Ik zie hem nog lopen met zijn linkerhand de koffer op zijn linkerschouder vasthoudend.

Het Ruhrgebied

Destijds stond het in het Ruhrgebied net over de grens in Duitsland vol met grote staalfabrieken. Staal waarvan oorlogstuig als kanonnen, tanks, legervoertuigen en geweren gemaakt werden, maar ook bommen, granaten en kogels. Het Ruhrgebied was juist door deze industrie, vaak het doelwit van geallieerde bombardementen. Bijna elke nacht ging het luchtalarm, als waarschuwing om te schuilen voor de aankomende bommenwerpers.

Als we in het Ruhrgebied lagen sliepen we, op onze jas en schoenen na, met onze kleren aan. Als dan midden in de nacht het luchtalarm ging, maakten pa en ma ons wakker. Kees en ik sliepen lekker en bleven eigenlijk liever in ons bed liggen. Maar hoeveel slaap we ook hadden, we moesten opschieten, jas en schoenen aan en vlug meekomen naar buiten, de koude donkere nacht, met zijn allen en de vluchtkoffer de roeiboot in. Dan roeide pa met ons naar de walkant. Daar aangekomen moesten we over een steile smalle trap, zo’n 10 meter omhoogklimmen. Eerst bracht ons pa dan het vluchtkoffer naar boven, terwijl wij in de roeiboot zaten te wachten. Dan kwam ons pa terug naar beneden en klommen we allemaal naar boven. Ons ma voorop, dan Kees, daarna pa, die dan met mij tegen zijn borst, ik met mijn armen om zijn nek en met mijn benen om zijn middel geklemd naar boven klom, om daarna zo vlug als mogelijk een schuilkelder in proberen te vluchten. Het was in die roetdonkere nachten, door de verplichte verduistering was er nergens licht te zien, zo’n bange gevaarlijke onderneming, dat ons pa dikwijls zei “we maken met ons getob midden in de nacht onderhand meer kans om te verongelukken, dat we eigenlijk net zo goed aan boord kunnen blijven en maar afwachten wat er gebeurt.”

Krijgsgevangenen

In de oorlog werden veel Nederlandse mannen (ook Veerenaren), overal in Duitsland, als krijgsgevangenen te werk gesteld. De meeste krijgsgevangenen, waren broodmager en droegen gestreepte katoenen pakken. Deze krijgsgevangene werkten overal in de havens o.a. om schepen te laden of te lossen. Het was verboden de krijgsgevangenen iets te eten te geven of om er zelfs maar mee te praten. Overal stonden en liepen er gewapende wachten, die alles zagen, overal werd er op je gelet. Het geweld en de angst overheersten, was altijd aanwezig, fluisteren werd een automatisme.

Wij hadden in die tijd voor eigen gebruik, konijnen aan boord. Onder het mom van eten voor de konijnen, kookte ons ma dan een stevige éénpans-maaltijd. Die zette pa dan - zogenaamd om af te koelen - op het luik, liep naar het voorschip en zei, zonder op of om te kijken, tegen de krijgsgevangenen “eten op het luik”. Ook kookte ons ma eieren, die we over het gangboord naar de gevangenen lieten rollen. Zo probeerden pa en ma deze mensen, ver van huis en haard, wat extra eten te geven. Ook voor de krijgsgevangene Ome Janus, broer van ma, kookte ma een voedzame maaltijd toen hij op een avond onverwachts bij ons aan boord verscheen. Ons pa en ma probeerden in een onmogelijke tijd het mogelijke te doen voor deze arme sloebers.

Het dagelijkse leven in Hannover

Begin zomer 1943 vertrekken we met onze “Mastaï” met een lading papier richting Hannover, nog onwetend dat het meer dan twee jaar zal duren eer wij Nederland of onze familie op ’t Veer weer zouden zien. In Hannover bleven wij samen met veel Nederlandse schepen als opslagschip liggen. (Hannover was destijds een grote handelsstad en vaak het doelwit van bombardementen.) Ondertussen konden wij door de vele bombardementen op Hannover niet meer voor of achteruit. De bruggen waren gebombardeerd, gesaboteerd of opgeblazen, alles wat haven was, was kapot. Het dagelijkse leven verliep zoveel als mogelijk normaal. Wij en de andere schippers kregen voedselbonnen en deden onze boodschappen aan de wal. We ruilden wat we hadden en gingen naar de boeren, voor melk en eieren. Wij, de kinderen, speelden samen met de Duitse kinderen op de havenkant. Havens lagen vroeger in het centrum van plaatsen. Winkels, dokters en kerken waren dichtbij. Soms was er een fiets, maar het meeste gebeurde te voet. De omgang tussen de gewone Duitse bevolking en de Nederlandse schippers was bijzonder goed. De Duitse burgerbevolking wilde ook geen oorlog. Zij verloren man en kinderen aan het front en net als in Nederland was er een gebrek aan alles. De Nederlandse schippers trokken zoveel als mogelijk samen op en hielpen elkaar zoveel als kon. Tussen ons gezin en de familie Moes, die met hun kempenaar ook in Hannover lag, groeide zelfs een vriendschap voor het leven.

1943, het grote bombardement op Hannover

Ik zie het zo nog voor me; een stralende zondag, een strakblauwe hemel, die zondag eind september 1943. Die zondag dat er van Hannover niets meer overbleef dan rokend puin door weer een bombardement. Ons pa had die morgen stiekem naar zijn verborgen en verboden radio geluisterd en hij had gehoord dat die zondag Hannover weer gebombardeerd zou worden. Ondanks het slechte bericht, besluiten ons pa en ma dat we in onze zondagse kleren toch naar de, in het centrum gelegen, kerk gaan. Onze knecht Piet van Strien (geen familie, maar werd wel als zodanig behandeld) was bij ons in de kost en at ook altijd bij ons aan tafel mee, bleef aan boord. Als we bij de kerk aankomen, blijkt dat we te laat zijn. Door het aangekondigde bombardement was de dienst vervroegd. Met paniek in zijn stem joeg de pastoor ons de kerk uit. “Niet bidden, niet bidden, eruit, eruit, raus, raus”. Buiten konden we het onheilspellende geronk van de naderende bommenwerpers al horen!!

Naar de schuilkelder

Ons pa wist ergens in de stad een bomvrije schuilkelder, maar ons ma dacht dat we dicht bij de mensen ook wel veilig zouden zijn. “Nee, nee” brulde ons pa, “mee, meekomen, hier zijn we niet veilig, als we hier blijven gaan we er allemaal aan! Als we bij de schuilkelder aankomen is de zware ijzeren deur al gesloten en de mensen die al binnen zijn willen die ook niet meer open maken. Maar pa, ma en ook Kees en ik, bleven huilend en in paniek op de deur bonzen en roepen. Uiteindelijk werd de deur toch geopend en konden wij ook de schuilkelder binnen. Een schuilkelder vol bange, huilende, schreeuwende, tierende en biddende mensen. Een schuilkelder vol met de geur van angst. Geen minuut te vroeg want ondertussen was het bombardement begonnen en stond de schuilplaats zo te schudden dat het licht uitviel. Kees en ik zaten doodsbang, dicht tegen ons pa en ma aan. Het oorverdovende lawaai van het bombardement en dat je door het donker niets kon zien, maakte alles nog angstaanjagender. Het besef van tijd was weg in die donkere, trillende schuilplaats volgepakt met bange mensen.

Ravage

Toen eindelijk, naar mijn gevoel na uren, de deur weer open ging zagen we boven ons de zon, maar rondom ons heen, zover we kijken konden, was niets, echt niets meer zoals het was. Er was alleen maar puin, niets meer over van wat ooit huizen of gebouwen waren, hier en daar nog een gevel, waarin je de plaats zag waar eens een raam was geweest. Geen weg of straat nog te vinden. Zover we kijken konden hoge vlammen, brandende en rokende puinhopen. Door de grijze stofwolken konden we niets meer zien, geen enkel herkenningspunt, niets om de weg naar boord nog terug te vinden. Na een tijdje zei pa, een richting wijzend waarvan hij dacht dat de haven was, “ik denk dat we die kant op moeten”. Lopend in de richting die pa wijst en over puinhopen klauterend proberen we de weg terug naar boord te vinden, niet wetend wat we daar zullen aantreffen, of Piet nog leeft en of ons schip de “Mastaï “er nog zou liggen. Toen we eindelijk bij ons schip aangekomen waren, zagen we tot onze grote vreugde, dat ons schip, onherkenbaar door een dikke laag puinstof, maar onbeschadigd gebleven, er nog lag.

Niemand was die dag zo blij als onze matroos Piet van Strien uit de Hoepelsteeg. Piet had die morgen besloten niet met ons mee te gaan naar de kerk. Maar Piet had wel door het raam kijkend, het verschrikkelijke bombardement zien gebeuren, waarbij voor zijn gevoel wel 1000 vliegtuigen een regen van bommen had laten vallen. Het waren 600 geallieerde vliegtuigen die een bommentapijt van 2100 ton op Hannover hadden laten vallen. Piet had zich in die lange bange uren van wachten angstig afgevraagd, of hij Huub, Anna en de kinderen nog ooit terug zou zien en wat hij dan in ’s hemelsnaam, moederziel alleen hier in Hannover dan nog aan moest. Piet liep dansend over de luiken, huilend van blijdschap toen hij ons uit het stof tevoorschijn zag komen.

Gebeurtenis in Hannover

Op een dag stond er een soldaat aan ons schip, die sprak in een vreemde taal, geen Nederlands of Duits, dat zouden ons pa en ma wel hebben verstaan Dreigend en met zijn geweer wijzend commandeerde hij ons pa, dat hij zijn roeiboot moest hebben. “Nee, die kraigde gai nie” zei pa. Geef nou maar mee zei ons ma huilend, bang voor ongelukken met het geweer. Nee, zei pa wij kunnen niet zonder roeiboot, hoe moet dat dan?? Destijds had je een roeiboot nodig, om van het schip aan de wal te komen om aan te meren, voor boodschappen en onderweg om bij ongelukken van boord af te kunnen. Een schip kan niet zonder roeiboot. Uiteindelijk dwingt de soldaat ons pa in de roeiboot, om hem naar een onbekende bestemming te brengen. Ma en wij zien ons pa samen met de soldaat de haven uitroeien en om de hoek verdwijnen. Zachtjes huilend staan we met ons drieën voor het raam te wachten, niet wetend wat er komen gaat. Zal de soldaat ons pa doodschieten, of zal hij de roeiboot in beslag nemen? Na iets wat wel een halve dag lijkt, kunnen we eindelijk opgelucht ademhalen, want dan we zien ons pa, zonder soldaat, terug de haven in en naar boord komen roeien.

Bevrijding

Dagen werden weken, weken werden maanden, maanden werden jaren. De tijd verstreek. Dan wordt het mei 1945. Nederland wordt bevrijd. De Nederlandse schippers in Hannover vierden feest in het lege ruim bij een van hen aan boord. Ze delen het weinige dat ze hebben en bakken een heerlijke aardappeltaart. De Nederlandse schippers zullen nog heel lang vastliggen in Hannover. Kapotgeschoten bruggen liggen in kanalen en rivieren. Om dezelfde reden werken sluizen niet, rijden er geen treinen en zijn er geen wegen. Geen mogelijkheid om post te versturen. Het openbare leven is tot stilstand gekomen. Bevrijd maar niet vrij. Oorlog kent geen winnaars, oorlog kent alleen verliezers

Schooltijd

Eind augustus 1945. Het wordt tijd dat Kees (al 8 jaar) en ik (bijna 7 jaar) naar school gaan. Voorbereidingen worden getroffen om de lange onbekende reis naar Nederland, naar Raamsdonksveer te maken.

Terug naar Raamsdonksveer

De koffers worden gepakt, ons ma en mevr. Moes maken genoeg eten voor onderweg. Piet blijft aan boord en zal samen met schipper Moes op ons schip letten. Ons pa regelt voor het eerste stuk een klein vrachtwagentje waar we met onze spullen achter in de laadbak moeten zitten. We stappen over op een ander vrachtwagentje, doen een stukje met de trein, dan een eind lopen, weer een vrachtwagen en weer lopen. De reis duurt drie dagen en drie nachten. We slapen op verlaten perrons, bij een boer in de schuur en onder ’n afdak. Het laatste stukje reizen we met de trein die op het station van Raamsdonksveer stopt. Het bericht bereikte opa en opoe Broeders, dat hun familie uit Duitsland op de Keizersdijk loopt en eindelijk, eindelijk in aantocht is. Vol ongeloof en huilend vallen opa, opoe, ons ma en pa, Kees en ik elkaar in de armen. Ik zie nog voor me hoe opoe met haar schort haar tranen op haar wangen droogde. Wij wisten in Duitsland niet hoe het op ’t Veer met onze familie ging, maar opa en opoe wisten ook niet hoe het met ons in Duitsland was. Opoe durfde de speciaal gemaakte foto niet op de schoorsteenmantel te zetten, bang dat haar vermoeden, dat ons iets ergs was overkomen, dan waarheid zou worden. Meer dan twee jaar hadden we elkaar niet gezien, maar gelukkig waren we nog allemaal in leven en bovendien ook nog gezond. Omdat het voor ons opa en opoe Broeders te druk zou worden gaat onze Kees, om naar school te gaan, naar Opa van Strien in Oosterhout.

Als na een paar dagen ons pa en ma aan de lange reis terug naar Hannover beginnen, blijft ik achter bij opa en opoe. Ik die nog nooit één dag zonder ons pa, ma of onze Kees was geweest. Opa en opoe doen hun best en ze zijn lief voor mij, maar ik herinnerde mij niets meer van Raamsdonksveer. Ik was voor het eerst alleen bij, voor mij wildvreemde mensen. Ik wilde naar boord, naar ons pa en ma. Ik had maagpijn en voelde me ziek van het verlangen naar boord, mijn thuis. Heimwee is verschrikkelijk, heimwee knaagt altijd. ’s Avonds in bed huilde ik me zachtjes in slaap.

Als onze Kees, in oktober zijn eerste H. Communie gaat doen, maken ons ma en mevr. Moes samen de lange, barre, bange reis van Hannover terug naar Oosterhout en Raamsdonksveer. Tijdens de reis verbergt ons ma onder haar kleding de stof voor mijn communiejurk.

Eerste Heilige Communie

We vieren de Communie van onze Kees bij opa Van Strien in Oosterhout. Daarna komen ons ma en mevr. Moes nog een paar dagen naar opa, opoe en mij op ’t Veer. Daarna gaan ze, drie dagen reizend, terug naar boord in Hannover. Hoe het in Duitsland in Hannover allemaal ging weet ik niet, maar met Kerstmis komen ons pa en ma niet naar ‘t Veer om ons op te zoeken.

Het is al 1946, de tijd gaat voorbij zonder dat wij ook maar iets van pa en ma horen. Intussen wordt van de door ons ma meegebrachte stof bij Vorstenbosch een mooi lichtblauw communiejurkje met een wit jasje voor mij gemaakt. Het is de lente van 1946 en de dag van mijn H. Communie komt steeds dichterbij. Ik vraag in die tijd wel honderd keer aan opoe of ons ma toch wel komt. Natuurlijk komt jullie mama, zegt opoe, maar op de dag voor mijn communie is mama er nog niet. Opoe, ons mama komt toch wel? Ja hoor, straks, vanavond, misschien morgenvroeg, ben daar nou maar zeker van. Ik probeer, door nog meer lief te zijn en al biddend af te dwingen dat mijn mama komt, maar op de morgen van mijn eerste Heilige Communie is ze er nog niet! (De eerste H. Communie was destijds, de belangrijkste dag in je leven.)

Toen we naar de kerk gingen, opa, opoe en ik, was ons ma er nog niet. “Straks als we uit de kerk komen, dan is ze er hoor” zegt opoe weifelend. Met een knoop in mijn maag, angst in mijn hart en met dichte ogen bid ik de hele kerkdienst lang, “Onze Lieve Heertje, wilt u ervoor zorgen dat mama straks komt, alstublieft, alstublieft”.

Mijn communiefeest wordt gevierd bij Tante Piet, een zus van opoe, die heeft een grotere kamer, waar de lange tafel op schragen, feestelijk gedekt staat. Om voor mij te strooien hebben nichtjes van zilverpapier snippers geknipt. Ooms, tantes, neven en nichten: iedereen komt langs om mij te feliciteren, en ik, ik loop de hele dag op en neer naar de hoek van de straat om te kijken of ons ma toch nog komt. Ondanks mijn mooie jurk, opoe en tante Piet, die vandaag zo lief voor mij zijn, is het voor mij een akelige droevige dag omdat ons pa en ma niet zijn gekomen. Ik zal mijn hele leven lang mij het gevoel van verlangen en het gemis van ons pa en ma die dag van mijn Communie herinneren. Het zal altijd pijn blijven doen.

Ik herinner me dat - toen Kees en ik met de augustusvakantie van 1946 naar boord gingen - we eindelijk met ons schip in Nederland lagen. Daarna gingen we altijd met de Kerst en de grote vakantie naar boord en tussendoor kwam ons ma, als ze in Rotterdam lagen, met de trein naar ’t Veer. De post werkte ook weer dus er werden heel veel brieven geschreven.

Later veel later, heb ik ons ma gevraagd “waarom kon je niet komen met mijn Communie? Ik had zoveel verdriet die dag”. “Och meisje, zei ons ma huilend, dacht je echt dat ik niet naar je communie wilde komen? Wij hebben alleen maar lopen huilen, omdat we niet naar jou toe konden komen. Het was zo gevaarlijk, nog veel gevaarlijker dan in de oorlog. Ons pa kon niet mee, hij kon ons schip niet onbeheerd achterlaten.” Door het gebrek aan alles werd alles wat bruikbaar of eetbaar was gestolen en leeggeplunderd. Mevrouw Moes was al flink op leeftijd, die wilde die vreselijke reis niet meer maken. Voor ons ma, als vrouw alleen, was de tocht veel te gevaarlijk. Ons pa en ma hadden, net als ik, ver van elkaar gescheiden ook een rotdag gehad. Allemaal het gevolg van die vreselijke oorlog. En al gaat het kind uit de oorlog, De oorlog gaat nooit meer uit het kind.

Herkomst van de naam “Mastaï“

Paus Pius de IX. Zijn burgernaam was: Jan Ferretti Mastaï. Hij was Paus van 1846 tot 1876 en was na, de H. Petrus, de langstzittende Paus. Hij werd in het katholieke zuiden en in België zeer vereerd. Pa en ma kochten ons schip toen het de naam “Mastaï“ al droeg. Het was een bijzondere naam en in de schipperswereld leefde het idee dat het geluk bracht als je de naam of kenspreuk op je aangekochte schip niet veranderde. Paus Pius IX is later door Paus Johannes de XXIII zaligverklaard.

Heeft u aanvullingen of wijzigingen bij dit artikel? opdekaart@veerserfgoed.nl