1940-1945; Het oorlogsverhaal van de Familie Leijten-Buijks: verschil tussen versies

(Nieuwe pagina aangemaakt met 'Verteld door Annie van Loon - Leijten en haar broer Adrie Leijten. Onze ouders zijn natuurlijk nog jong als de oorlog uitbreekt: 20 en 22 jaar. Leven het leven zoa...')
(geen verschil)

Versie van 8 okt 2019 om 21:15

Verteld door Annie van Loon - Leijten en haar broer Adrie Leijten.

Onze ouders zijn natuurlijk nog jong als de oorlog uitbreekt: 20 en 22 jaar. Leven het leven zoals het kwam en ondergaan alles met jeugdige overmoed.

Door de mobilisatie wordt de aak “Francisca” van Bertus Leijten (1918) en Zus Leijten - Buijks (1920) gevorderd en ze zijn dan genoodzaakt om in het ouderlijk huis van Ma, Koningstraat 60, te gaan wonen. Jaopke en Vrouw Blom zijn hun buren en wonen op nummer 62. Pa Bertus, schipper in hart en nieren, kan niet erg wennen aan de wal en heeft er talloze baantjes. Hij werkt o.a. op het vliegveld in Gilze-Rijen en aan de fundering voor het huis van Theo Heere. Hij staat op de briefkaartfoto die hiervan gemaakt is, vooraan de man met de schipperspet op.

Nadat ze via een gerucht hebben gehoord dat hun aak “ergens in het Noorden” ligt, zijn Pa en neef Nol op de fiets gaan zoeken. Uiteindelijk vinden ze hun aak vrijwel ongeschonden terug in Emden, Duitsland. Hoe ze weer zijn gaan varen vertelt het verhaal niet, maar wel dat Pa en Nol met de aak diep in de nacht uit Emden zijn vertrokken, terug naar Nederland en naar ’t Veer zijn komen varen.

Ze vervoeren in die oorlogstijd van alles: kolen, suiker, rogge, hout, te veel om op te noemen. Het vervoer van zand en grind, net als de relatievaart, is in de oorlog beperkt. Uit elk vrachtje halen ze wat uit om te kunnen ruilen. Ruilen tegen: kaas, brood, levensmiddelen, kleding, keukengerei of gereedschap.

Pa en Ma vertelden dat er van zo’n vrachtje soms maar de helft op de plaats van bestemming kwam. Op de laadplaats werd er wat geleend door bevrachters, aanvoermensen, havenarbeiders, stuwadoors en ook de schipper leende wat, hij moest natuurlijk ook zien te overleven. Datzelfde proces gebeurde ook zo op de losplaats.

Ze voeren ook graag naar België, daar kon je ruilen voor linnengoed, wol en kleding. Daar was in Nederland een groot gebrek aan. Zoals ons Pa het altijd zei: “aan geld heb je niks als het oorlog is.” Er was immers niets meer voor te koop. Pa vond ook dat zij het met hun vrije beroep, veel gemakkelijker hebben gehad dan de mensen aan de wal en zeker beter dan de mensen in een stad of dorp.

Verhalen en anekdotes uit die tijd

De verhalen en anekdotes zijn legendarisch. Met onder het bed een paar zakken suiker, als ruilwaar verstopt, kregen ze controle van de Duitsers. Ma ook niet verlegen, had flink over haar neus gewreven, zodat die goed rood was en was in bed gaan liggen. Ze deed net of ze koorts had, te ziek om uit bed kon komen! Het plan lukte, ze konden weer ruilen “tenne” de Lek. Hiermee bedoelden ze het eindpunt, waar de Lek, de Noord en de Oude Maas samenkomen bij: Krimpen a/d Lek en Slikkerveer, een geliefde “ruilplaats”. Mensen in de steden hadden een gebrek aan alles, maar er was wel altijd wat te ruilen.

Pa en Ma vertelden ook dat ze eens een reisje kolen hadden geladen voor Gent in België. Brandstof!!, dat wilde iedereen wel. Onderweg alles verkocht! Ze zijn toch naar de afnemer gevaren en gevraagd, hoe gaan we het regelen? Ach zei die man: geef maar ’n derde, jullie hebben er tenslotte het werk aan gehad en dan hebben we allemaal wat. Ten tijde van oorlog, moet je zien te overleven en is er veel geoorloofd.


Munitie

Op ’n keer waren ze, met munitie geladen, onderweg naar Burg Haamstede. Ze hadden een Duitse wacht aan boord, die zette zijn op scherp staande geweer in een hoek van het roefje. Ome Cees, broer van Pa was ook aan boord. Onze Adrie 3 jaar, scharrelde rond met in de hoek van het roefje dat vreselijke geweer. Ma vroeg aan ome Cees of hij aan de wacht wilde vragen of hij de kogels uit het geweer wilde halen, want ze vond het levensgevaarlijk zo met de kleine Adrie op de vloer. Natuurlijk deed de wacht dat. Hij had immers de “Krieg” ook niet gewild en was ook liever “zuhause bij Mutti geblieben”. Maar ’s avonds ging de wacht bij een boer aan de wal in het hooi slapen. Dat had Pa en Ma aan het denken moeten zetten, maar nee Pa en Ma zagen geen gevaar! Pa en Ma, ome Cees en de kleine Adrie sliepen de slaap der onschuldigen, gewoon aan boord. Ze hadden nog nooit van de “ondergrondse” of het “verzet” gehoord. Hoe gevaarlijk het was geweest om aan boord te blijven, hoorden ze pas ver na de oorlog.

Herfst 1944

Omdat de Duitsers de schepen van de Nederlanders schippers vorderden, verscholen veel Veerse schippers zich in de Biesbosch of ze voeren het Oude Maasje op richting ’s Gravenmoer, maakten daar hun schip onklaar of brachten het schip tot zinken. Als de Duitsers je schip in handen kregen, bliezen ze het op en bleef er niets van over.

Zo lagen ons Pa en Ma in de herfst van 1944, samen met broer Jan Buijks, met hun onklaar gemaakte schepen verscholen voor het oorlogsgeweld in het oude Maasje bij ’s Gravenmoer. De Duitsers lagen op de Noordoever en de Geallieerde troepen op de Zuidoever van de Maas. Er werd nogal veel en heftig over en weer gevochten, geschoten en bommen gegooid. Op een kwade dag kwamen ze onder een bombardement te liggen en een voltreffer van de geallieerden sloeg een gat in het roefje (piepklein woninkje op een aak) bij Pa en Ma aan boord, terwijl het gezin aan boord verscholen voor het oorlogsgeweld onder tafel zat. Paniek, huilende familieleden en rennen voor je leven. Wonder boven wonder, allemaal overleefd en niemand gewond.

Als kind vonden we het een prachtig verhaal als ons Ma vertelde hoe zij samen met schoonzus Rie Bus, huilend en in doodsangst, gearmd over de plank (15cm breed) naar de wal renden. Thijs (16 jaar, broer van Ma) achter hen aan met onder de ene arm Jantje, zoon van Jan Buijks, en kleine Adrie onder de andere arm. Ik zag het zo voor me.

Je moet weten, je leefde in die tijd - zeker als schipper - erg geïsoleerd. Er was geen krant, geen radio of TV. Ze hebben al die jaren nooit geweten dat er een ondergronds verzet tegen de Duitsers was, laat staan dat ze wisten wat er met de Joden, zigeuners of wie dan ook gebeurde. Dat hoorden ze allemaal pas ver na de oorlog.

Ze hebben die tijd beleefd zoals hij was en er het beste van gemaakt. Wij hebben nooit gehoord dat ze honger hebben gehad of dat er een gebrek aan iets was, al was er ook geen overvloed. Ons Ma zei altijd: “Het ene moment zaten we uit porseleinen kopjes koffie te drinken en het andere ogenblik uit lege jampotten”.

Ze hebben ondanks alles wel plezier gehad. Als ze bij elkaar lagen met hun schepen met hun vrienden Harrie en Mien van Strien of met Jan en Rie Buijks. Dan hadden ze veel lol er werd bij elkaar koffiegedronken, gekaart, gezongen en gebuurt. Ons Ma leerde shaggies rollen en zelfs “dunnekes” (dun shaggie) te roken.

De verhalen uit de oorlog waren nooit droevig, soms angstig maar meer een avonturenboek. Wij hingen als kinderen aan de lippen van Pa en Ma als zij over de oorlog vertelden.

Heeft u aanvullingen of wijzigingen bij dit artikel? opdekaart@veerserfgoed.nl