Cookies helpen ons onze services aan te bieden. Door onze services te gebruiken stemt u in met het gebruik van onze cookies.

Werken in Duitsland.

Betrokken personen


WERKEN IN DUITSLAND

De verschillende gezichten van werken in Duitsland

Werken in Duitsland kende achtereenvolgens verschillende ‘gezichten’. Begonnen als een uitnodiging om vrijwillig te gaan werken, werd het gedwongen werk na bijna twee jaar. Van zich vrijwillig melden voor werk in Duitsland, werd het opgeroepen worden voor verplichte tewerkstelling en uiteindelijk bijeengedreven worden via razzia’s, alhoewel Tilburg deze fase niet heeft gekend, omdat de stad op dat moment (herfst 1944) al bevrijd was.


Werken op basis van ‘vrijwilligheid’

10 Mei 1940 - 23 maart 1942. ‘Ook zoo tevreden? Hij werkt in Duitsland.’ Met deze leuze probeerden de Duitsers vrijwilligers te werven voor werk in Duitsland. Eigenlijk was het een vreemde situatie. De werkloosheid in Nederland was groot; de werkloosheidssteun was karig. Het was leven op de rand van een menswaardig bestaan. En zowaar, de overweldiger en bezetter bood werk aan. Niet alleen in Duitsland, maar ook in Nederland zelf (aanleg en verbetering vliegvelden), in België en in Frankrijk (kustverdedigingswerken), en op zulke goede voorwaarden dat er een reëel zicht was op het komen uit een toestand van jarenlange armoede. Goed, werken voor de Duitsers was werken voor de vijand, maar die vijand gedroeg zich (nog) correct en zoals het er toen naar uitzag, had die vijand ook de toekomst. Men kon zich daar maar het beste bij aansluiten. Ook de meerderheid van de top van het Nederlandse bestuur - de secretarissen-generaal - stond niet afwijzend tegenover werken voor de bezetter in het algemeen en in Duitsland in het bijzonder, mits het vrijwillig gebeurde en het geen werk was in de oorlogsindustrie. Maar door juridische spitsvondigheden was daar wel een mouw aan te breien. Werken in Duitsland werd trouwens ook al voor de oorlog aanbevolen aan werkzoekenden. Helemaal vrijwillig was werken in Duitsland nu ook weer niet. Werk dat in Duitsland werd aangeboden was ‘passend’ en wie als werkloze ‘passend’ werk weigerde, verspeelde iedere ondersteuning door de staat. Kortom, wie in die tijd (gewetens)bezwaren maakte tegen werken in Duitsland, die zeurde.

Volgens W. de Kort, directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau in Tilburg (werkgebied Tilburg-Gilze-Waalwijk) vertrok op 9 juli 1940 het eerste transport van 61 vrijwilligers naar de ‘Union Rheinische Braunkohlenkraftstof A.G.’ bij Keulen. Tussen mei 1940 en april 1942 vertrokken er door bemiddeling van het Gewestelijk Arbeidsbureau Tilburg ruim 2.300 mannen en bijna 340 vrouwen naar Duitsland, waarvan het grootste deel uit Tilburg kwam. De grootste groep werd, volgens De Kort, gevormd door

- ‘jonge avonturiers’ […] die aangelokt door gunstige arbeidsvoorwaarden op staatskosten wel een kijkje wilden gaan nemen in het groote Duitsche Rijk.’

Dat het avonturiers waren, leidde hij af uit het feit dat zij niet ingeschreven stonden als werkzoekenden op de Arbeidsbeurs. Maar of zucht naar avontuur de enige drijfveer was, wagen we te betwijfelen.

Hoe kwam men in Duitsland aan arbeidskrachten? • Vrijwilligers konden zich melden bij Duitse instellingen die arbeidskrachten voor Duitsland aanwierven. • Zij konden zich ook melden bij het Gewestelijk Arbeidsbureau. Begin maart 1942 stonden daar iets meer dan 175 belangstellenden voor werk in Duitsland ingeschreven. Maar het aantal wekelijkse aanmeldingen nam daarna sterk af. Landelijk was dat ook zo. Zij meldden zich gewoon aan of reageerden op advertenties waarin arbeiders gevraagd werden voor werk in een Duits bedrijf of aan bepaalde werkprojecten. • Arbeidsbureaus uit Duitsland stuurden aan het Gewestelijk Arbeidsbureau verzoeken om arbeiders te sturen. • Sommige directeuren van kleinere Duitse bedrijven vroegen het Gewestelijk Arbeidsbureau om arbeiders of een bepaalde arbeider te sturen. En daarbij maakten zij soms gebruik van Nederlandse arbeiders die al in hun bedrijf werkten. Zo schreef een Nederlandse arbeider aan de directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau:

- ‘Met deze moet ik u 'n brief schrijven van onze fabrieksbaas [volgt naam]. Omdat hij niet in 't hollands kan schrijven. Moet ik [volgt naam] 't doen. De baas zit om werkliede verlegen. 't Zijn [volgt opsomming van soorten arbeiders]. Zou u zo goed willen zijn om arbeiders uit Holland hier heen te willen schikken. Als 't kan zo spoedig mogelijk. En de kost is opperbest, ze komen alle in kosthuize in kwartier.’

En een Tilburgse arbeider die al in Duitsland werkte, schreef naar zijn kameraad in Tilburg die in hetzelfde bedrijf wilde gaan werken, maar daarvoor nog geen toestemming had gekregen van het Gewestelijk Arbeidsbureau:

- ‘Hier weer een klein briefje. Wat duurt het toch lang, hé, ja jongen, dat is in een twee drie niet voor elkaar, en nu is het weer wat anders, m'n baas is naar de arbeidsbeurs geweest, en daar was 't dik in orde, maar ze moeten je geboortendatum weten, en die wist ik niet. Maar nu zegt m'n baas, nu zal ik eerst zelf een briefje schrijfen waar jij dan mee naar de arbeidsbeurs moet gaan en dan moet je dat daar laten lezen en daar zullen ze alles wel in orde maken, maar dan moet je er mee naar die Duitscher (bedoeld is waarschijnlijk de Fachberater) gaan en als ze je dan nog niet laten gaan, dan moe je, je geboortendatum maar schrijven, dan laten ze je van de arbeidsbeurs van hier komen. Dus [volgt voornaam] nog een beetje geduld dan komt 't voor mekaar.’

In de loop van 1941 steeg de behoefte aan arbeidskrachten in Duitsland (om de Duitsers die in militaire dienst werden opgeroepen te vervangen), tegelijkertijd daalde de animo om in Duitsland te gaan werken. De verlofregelingen werden minder gunstig, ontslag na het aflopen van het contract werd niet meer zo gemakkelijk gegeven en het werd in Duitsland ook onveiliger door de beginnende geallieerde bombardementen. Op 23 maart 1942 bepaalde de Rijkscommissaris Seyss-Inquart dat:

- ‘Ingezetenen van het bezette Nederlandsche gebied […] door het gewestelijk arbeidsbureau [kunnen] worden verplicht voor een bepaalde tijd op een hun aangewezen plaats diensten te verrichten.’

De Arbeitseinsatz was geboren. In deze periode van ‘vrijwilligheid’ overleed N.L.W.M. Althuizen in Duitsland.


Werken als verplichting

Verschillende directeuren van de Gewestelijk Arbeidsbureaus protesteerden tegen het feit dat zij de verplichting om te gaan werken moesten opleggen. De Duitsers gaven toe en bepaalden dat de dienstverplichting opgelegd zou worden door de Duitse Fachwerber die de bezettingsmacht vertegenwoordigde op ieder Gewestelijk Arbeidsbureau. En daar hadden de directeuren vrede mee. Het gaf hun de gelegenheid om door aan te blijven de oproep en selectie van arbeiders te saboteren achter de rug van de Fachwerber om.

Het ongewilde gevolg van de verplichting was dat in Tilburg in 1942 het aantal huwelijken aanzienlijk steeg. Sommigen wilden voor hun vertrek nog trouwen. Zij gingen voor langere tijd weg. Anderen trouwden in de veronderstelling dat zij zo een argument hadden om vrijstelling van uitzending te krijgen.

23 Maart 1942 - 6 mei 1943. Om aan de vraag te kunnen voldoen werd begonnen met het ‘uitkammen’ van bedrijven en beroepen. Een aantal Tilburgse bedrijven kregen van de Fachwerber de opdracht een opgegeven aantal bij hen werkzame arbeiders aan te wijzen voor tewerkstelling in Duitsland. Niet alle bedrijven wilden die verantwoordelijkheid nemen en stuurden een lijst van arbeiders onder het motto: wijs ze dan zelf maar aan. Een andere tactiek was duidelijk maken dat de gevorderde arbeiders (of het gevorderde aantal arbeiders) beslist niet gemist konden worden, het liefst in verband met de volksgezondheid of - en dat was nog veel beter - omdat men werkte met Duitse orders. Men was dan een Rüstungsbedrijf en die bedrijven konden niet zo maar leeggehaald worden. Dat wilde de Rüstungsinspektion (dat toezicht hield op de uitvoering van Duitse orders in Nederlandse bedrijven) niet. Of wilde het G.A.B.(of nog beter de Fachwerber) soms ruzie met die Duitse instelling? Wij – aldus een Tilburgs bedrijf - willen 48 arbeidskrachten aantrekken om onze Duitse orders te kunnen uitvoeren. Maar aan dat verzoek kunt u (als G.A.B.) niet voldoen. U, Fachwerber, vordert tegelijkertijd 30 arbeiders voor werk in Duitsland en dat terwijl de Rüstungsinspektion ons verzekerd heeft ‘dat geen onzer arbeiders voor arbeid in Duitschland in aanmerking kan komen’. Beslissing van de Fachwerber: ‘Vorläufig bis 1.4.43 zurückstellen’. Maar als het het bedrijf niet lukte om vrijgesteld te worden van werk in Duitsland, dan werd het ‘uitgekamd’. In deze periode overleden in Duitsland Josephus H.M. Maas, Jan H Künzel en Gerardus van de Sande.


6 Mei 1943 - 14 september 1943. Na de April-Meistaking van 1943 werden de mannen van 18 tot 35 jaar opgeroepen, en wel per jaarklasse (per jaar waarin men geboren was). Dat wekte veel onrust. Tot nu toe was de Arbeitseinsatz beperkt tot ‘overtollige’ arbeidskrachten die werkten in de industrie. Nu moesten om te beginnen alle 19- tot en met 23-jarigen zich melden. Waren de Duitsers begonnen met het deporteren van alle weerbare mannen? Ook de voormalige militairen moesten zich immers weer in krijgsgevangenschap begeven. Maar al gauw merkte men dat er vrijstellingen werden gegeven aan degenen die werkten in de landbouw en levensmiddelenindustrie, studeerden en werkten in Rüstungsbedrijven. Hieronder vielen in Tilburg alle textielmetaalbedrijven en veel schoenbedrijven. Praktisch de hele industrie in Tilburg viel onder de Rüstungsbedrijven. En het systeem van vrijstellingen werd door de ambtenaren van het Gewestelijk Arbeidsbureau zo ruim mogelijk gehanteerd.

- ‘De vrijstelling wegens studie kon hoog worden opgevoerd, omdat de directie [van het G.A.B.] de Duitsers er van had kunnen overtuigen, dat de studenten van de R.K. Leergangen te Tilburg onder deze vrijstelling vielen, om welke reden velen zich alsnog bij dit instituut lieten inschrijven. Volgens een opgave van de R.K. Leergangen bedroeg het aantal studenten in 1941-1942: 1550, in 1942-1943: 1786, in 1943-1944: 2290, in 1944-1945: 678. Het aantal vrijstellingen voor landbouw- en levensmiddelenbedrijven liep hoog op, omdat direct bij het bekend worden van het feit dat deze personen vrijstelling kregen, vele personen, die zich in hun eigen beroep niet veilig voelden, met en zonder hulp van het G.A.B. een toevlucht zochten in deze bedrijfstakken. […] Op deze manier kregen bijna alle landbouwers en landarbeiders vrijstelling. De oppervlakte van het gewest Tilburg was echter door al deze falsificaties ongeveer zo groot geworden als de oppervlakte van half Nederland!!!! Dit is gelukkig nooit tot een Duitser doorgedrongen; nooit is er een Duitser geweest die het in zijn hoofd haalde, de inventarisatie-lijst op te tellen!

De Rijkscommissaris Seyss-Inquart, ontevreden over de gang van zaken, stelde dat in beginsel een gehele jaargang en bloc naar Duitsland gezonden moest worden. Vrijstellingen mochten alleen gegeven worden aan mijnwerkers en geschoolde arbeiders die onmisbaar waren. Eind juli 1943 werd de jaarklassenactie stopgezet. In deze fase van ruim vier maanden kwamen in Duitsland om het leven: Cornelius J.J. Bertens Leonardus M.A. Schuurmans Petrus C.J. de Brouwer Johannes W.van Huijgevoort Cornelius Somers Ernest C.A. van Hest


14 september 1943 - 27 oktober 1944. Overgestapt werd op het systeem van de Z(urückstellungs)-Karten. Alle bedrijven moesten door het invullen van kaarten een overzicht geven van hun werkkrachten tussen 18 en 45 jaar. Nagegaan kon dan worden hoe groot de orders waren waaraan zij werkten voor Duitsland. Wist men dat, dan wist men ook hoeveel werknemers gehandhaafd moesten worden in het bedrijf, hoeveel arbeiders overgeplaatst moesten worden naar andere Nederlandse bedrijven die met Duitse orders werkten en hoeveel arbeiders aan het bedrijf onttrokken konden worden voor tewerkstelling in Duitsland. Wie dat waren per bedrijf? Dat werd vastgesteld door de Fachwerber.

- ‘De directie van het Gewestelijk Arbeidsbureau Tilburg was van oordeel, dat hier een zo gevaarlijke aanslag op ons volk werd gepleegd, dat een uitstekend georganiseerde sabotage noodzakelijk was, zelfs al zou zij de laatste sabotage-actie van het Gewestelijk Arbeidsbureau betekenen bij een eventueel ontdekken.’

Dit eiste een gigantische administratie die systematisch tegengewerkt en gesaboteerd werd door het georganiseerd verzet en de Gewestelijke Arbeidsbureaus. In zijn laatste overzicht, begin september 1944, vermeldde de Fachwerber in Tilburg dat van de ruim 12.000 personen die onderzocht waren in het kader van de Z-Kartenprocedure, 82 personen naar Duitsland waren gezonden. In werkelijkheid waren ongeveer 30 personen geplaatst in de Rijkswerkplaats in Tilburg. 30 Personen bestonden eenvoudig niet. 20 Personen waren werkelijk vertrokken, maar daaronder zaten de leden van twee muziekgezelschappen die een tournee door Duitsland maakten. Met de bevrijding van Tilburg op 27 oktober 1944 eindigde, voor Tilburg althans, de Arbeitseinsatz.

In de laatste periode van de Arbeitseinsatz voor de bevrijding van de stad nam het aantal slachtoffers sprongsgewijze toe. Bij degenen die aan een ziekte overleden, speelden een rol de verminderde weerstand door onvoldoende voeding, psychische druk en zorgen, bijvoorbeeld om de achtergelaten gezinsleden. Het geallieerde luchtoffensief tegen Duitsland, dat vooral sinds 1943 op ongekende schaal op gang kwam, was verheugend, want daardoor werd het einde van de oorlog versneld. En om het menselijk leed van de Duitsers bekommerden wij ons nauwelijks. Zij kregen de rekening gepresenteerd van wat zij in het begin van de oorlog hadden aangericht in Warschau, Rotterdam, Coventry en Londen. Maar het lot van de dwangarbeiders ging ons wel ter harte. En het georganiseerd verzet, toch al fel gekeerd tegen de Arbeitseinsatz, liet niet na te wijzen op de grote levensrisico's die tewerkgestelden liepen in de Duitse industriecentra.

- ‘Gij weet dat gij over de grens het doodsgevaar tegemoet gaat. De Engelsche bombardementen worden met den dag zwaarder en het zal er binnenkort onhoudbaar worden.’

Voor velen was vertrekken naar Duitsland, juist door deze bombardementen, een vertrek voor altijd. In deze periode kwamen om het leven: Joannes Cornelis J. van Beurden Petrus A.Coehorst Josephus J.M. Leijs Johannes N.A. Vermeer Guillaume J.A.M. de Bont Hendrik de Jongh Wilhelmus J. Jussen Lambertus Petrus M. Maas Christianus P. van Rijsewijk Franciscus Th.J.H. van den Boer9 Antonius C.P. van Dongen Andreas van Haaren Franciscus J.H. Scholberg Antonius M.Th. Smets Adrianus P.M. Smits Johannes C.Stokkermans Johannes C. van Holst Petrus J. Fonken Henricus M. Vierling Johannes R.Brummelink


Vanaf 27 oktober 1944. Met de bevrijding van de stad kwam er een eind aan de verplichting om in Duitsland te gaan werken, maar daarmee niet aan het lot van degenen die op dat moment in Duitsland werkten. Om het leven kwamen: Cornelis M.A. Emmen Johannes A. van Hest Augustinus J.A. van Lieshout Henricus F.J. Peeters Hendrikus Vink Johannes P. van Bezoijen Gregorius J.N. Geux Vincentius Hardeman Clemens W.M. Marsé Franciscus J.M. Marsé Albert Schepers Hendrika Schepers-van den Ende Lambertus J. Smetsers Antonius J. Swaans Andreas W.C.A. van Vugt Antonius C.P. Houtepen Johannes A. Franken Adrianus H.M. van Ganzewinkel Cornelis F. van de Klundert Hendrikus J. van der Velden Johannes R. Brummelink Johannes C. Hooijen Cornelius W.J.A. Swaanen Johannes T. van de Wouw


Bijzondere groepen

Studenten. December 1942 ontstond het plan om 5 à 6.000 studenten in het kader van de Arbeitseinsatz naar Duitsland te sturen. Van dit plan zagen de Duitsers eind december af. Begin februari 1943 werd een aanslag gepleegd door twee verzetsmensen op generaal Seyffardt, voormalig chef van de Nederlandse Generale Staf en leider van het vrijwilligerslegioen ‘Nederland’. De plegers van de aanslag waren bang dat hij minister van Defensie zou worden in een kabinet onder leiding van Mussert en dat hij dan dienstplichtigen zou oproepen voor de strijd tegen de Sowjet-Unie. Vlak voor zijn dood vertelde Seyffardt dat hij de indruk had dat de aanslagplegers studenten waren. Daarop grepen de Duitsers ruim 600 studenten die naar Vught werden overgebracht. Bij Seyss-Inquart ontstond toen het idee om studenten aan universiteiten en hogescholen een loyaliteitsverklaring te laten tekenen, een verklaring dat zij zich zouden onthouden van daden van verzet tegen de bezetters. Wie dat weigerde, zou ingezet worden in het kader van de Arbeitseinsatz. Nadat in de eerste helft van april 1943 de studenten de gelegenheid hadden gehad om de loyaliteitsverklaring te tekenen, werden de weigeraars op 6 mei 1943 vanuit verschillende verzamelpunten naar het kamp Ommen overgebracht en vandaar naar een kamp bij Berlijn. Vanuit Berlijn reisden zij naar de plaatsen waar zij tewerkgesteld waren. Niet keerden terug Charles J. Nijst en Petrus A.J.M. van der Wegen.


Ex-militairen. Op donderdag 29 april 1943 verscheen een proclamatie van de Wehrmachtsbefehlshaber, generaal Christiansen, dat alle Nederlandse ex-militairen zich terstond weer in Duitse krijgsgevangenschap moesten begeven. Het motief was dat verschillende ex-militairen zich bezighielden met verzetsactiviteiten. De werkelijke reden was dat met het oog op een te verwachten geallieerde invasie, deze weerbare mannen zich beter in Duitsland konden bevinden. Zij zouden ingezet worden in de Arbeitseinsatz. Over de schok die deze mededeling veroorzaakte (de April-Meistaking van 1943) zullen we het hier niet hebben. Tussen begin mei 1943 en midden augustus 1943 werden zij per onderdeel opgeroepen om zich te melden. Ex-militairen die werkzaam waren in voor Duitsland belangrijke Nederlandse bedrijven en in de voedselvoorziening kregen vrijstelling. Keerden niet terug: Joseph Franciscus A. Spijkers Peter Hubertus Tegelaars


Gedetineerden. In 1942 ging de secretaris-generaal van Justitie, J.J. Schrieke, ermee akkoord dat het departement een bijdrage zou leveren aan de Arbeitseinsatz door het beschikbaar stellen van enkele duizenden gevangenen. Het concentratiekamp Erica in Ommen werd van juni 1942 tot april 1943 gebruikt als doorgangskamp voor gevangenen van de Nederlandse justitie naar arbeidskampen in Duitsland. Begeleid door hun Ommense bewakers gingen 800 gevangenen naar het kamp in Heerte (Midden-Duitsland), terwijl 500 gevangenen overgebracht werden naar kampen bij Keulen en het tuchthuis in Siegburg. De behandeling in Heerte was zo slecht dat eind november 1942 350 gevangenen terug werden gebracht naar Ommen. Ongeveer 200 daarvan moesten voor verpleging opgenomen worden in ziekenhuizen in Oost-Nederland. De tewerkstelling vanuit het tuchthuis in Siegburg was minder zwaar. Van de 21 gevangenen die in Siegburg stierven, was naar schatting het merendeel eerst overgebracht naar Heerte. Gewaarschuwd door de Nederlandse artsen besloot Schrieke, in het voorjaar van 1943, om alle gevangenen terug te roepen en weer onder te brengen in Nederlandse gevangenissen. Keerden niet terug: Petrus van Baardwijk Joannes Josephus van Riel Henricus Cornelius den Turck

Leef- en werkomstandigheden

De leefomstandigheden varieerden al naar gelang de plaats waar men terechtkwam. Degenen die terechtkwamen in de landbouw of in de gezondheidszorg (bijvoorbeeld medische studenten) hadden het over het algemeen redelijk goed. Slechter uit waren degenen die terechtkwamen in de grootindustrie en ondergebracht werden in kampen die behoorden bij het bedrijf waar zij tewerk werden gesteld. Nog slechter was meestal de toestand in de verzamelkampen van het Duitse Arbeidsfront, waarin arbeiders die bij verschillende bedrijven werkten, waren ondergebracht. De hygiënische toestand liet in de kampen dikwijls veel te wensen over (vervuiling, ongedierte), evenals de medische zorg. Het voedsel was in de periode '40-'42 niet slecht, maar daarna ging de kwaliteit achteruit. Daarbij kwamen de massale luchtaanvallen door Engelse en Amerikaanse vliegtuigen op Duitse steden. Een Tilburgse tewerkgestelde schreef:

- ‘In mei 1942 heb ik een oproep gehad van de Rijksdienst voor Arbeid in Duitsland. Per trein moest ik naar Keulen en me melden op het station. Na een nacht moeten slapen in vieze barakken tussen het ongedierte. De andere dag verzamelen op een parkeerplaats waar ik werd ingedeeld voor transport naar Duisburg. Daar werd ik ingedeeld voor werk bij de Demag-fabrieken bij de onderhoudsdienst. Ik werd overgebracht in een barakkenkamp naast de fabriek die heel vies was. De werkzaamheden waren slecht zoals het schoon maken van de toiletten en dergelijke. Ook het eten was zeer slecht. Dikwijls moest ik puin ruimen na de bombardementen en schuilen in de schuilkelders als er plaats was, want de Duitsers gingen voor.’

Gevreesd waren de Arbeitsserziehungslager, waar weerspannige arbeiders voor een bepaalde tijd werden ondergebracht om ‘opgevoed’ te worden. De toestand daar was te vergelijken met die in concentratiekampen en soms nog erger.

En dan was er het contact met huis. Een week verlof werd normaal ieder half jaar gegeven. Maar wat normaal was, werd vanaf eind 1943 abnormaal. Het duurde ook enkele maanden voordat een brief van huis aankwam.

De leuze ‘Ook zo tevreden? Hij werkt in Duitschland’ had haar aantrekkingskracht verloren. Of zoals Pieter ‘t Hoen in juli 1943 in het illegale blad ‘Het Parool’ schreef:

- ‘Wie, gelijk wij, het voorrecht heeft achter de schermen van den Arbeitseinsatz te kunnen kijken, die weet, hoe onuitsprekelijk erg het met de deportatie van onze jonge landgenooten thans is geworden; dien springen tranen in de oogen, niet van sentimentele kwezelarij, maar van machtelooze woede over een systeem dat honderdduizenden jonge menschen, ongeacht hun ambities en omstandigheden wegsleept van huis en haard, en hen dwingt onder de hachelijkste omstandigheden te gaan werken voor vijanden van hun land en hun volk; [...] om er te ploeteren voor hongerloon en slecht eten, onder de hygiënisch en moreel meest verrotte omstandigheden, ten bate van hen die in Mei 1940 als inbrekers binnenvielen in ons vredig en fatsoenlijk land.’

En het aantal onderduikers groeide met de dag, evenals de weigeraars en contractbrekers.


Weigeraars en contractbrekers

Weigeraars waren degenen die weigerden om in Duitsland te gaan werken; contractbrekers zij die zonder toestemming naar Nederland terugkeerden of na een verlofperiode niet naar Duitsland terugkeerden. Deze begrippen golden ook voor degenen die werkten voor de Duitsers buiten Duitsland. Om hen op te sporen werden door de bezetters de Arbeitskontrolldienst en een K(ontroll)-K(ommando) van foute politieagenten opgericht. In Tilburg (en omgeving) opereerden 2 tot 7 man van het K(ontroll)-K(ommando), ook wel genoemd de Ommense politie of Arbeitseinsatzpolizei. Deze politiemensen waren toegewezen aan de Fachwerber en kregen van hem hun opdrachten. Tussen 6 december 1943 en 1 augustus 1944 - 8 maanden dus - arresteerden zij 316 mensen (waaronder 84 voor tewerkstelling in Zeeland). 143 Contractbrekers en weigeraars werden opgebracht. Op arrestanten die vluchtten werd geschoten:

Adrianus W.van Riel Franciscus van de Wouw

  • Omgekomen in Duitsland.

Weigeraars en contractbrekers die opgespoord werden, werden voor het ondergaan van straf gezonden naar het concentratiekamp Amersfoort, Ommen of Vught en vandaar naar andere concentratiekampen in Duitsland of een Arbeitserziehungslager. Sommigen bleven gevangen zitten in het concentratiekampensysteem, anderen werden, nadat zij hun straf hadden uitgezeten, in Duitsland tewerkgesteld. Om het leven kwamen:

Adrianus J.A. de Beer Petrus Bernaert Izaak Johannes Beijk Norbertus Maria J. van den Boer Leonardus Cools Petrus Damen Theodorus Josephus C.M. van Doremalen Johannes van den Dungen Nicolaas van den Dungen Johannes Adrianus G. van Gestel Paulus Hendrikus van Gool Joannes Adrianus J. van den Hout Nicolaas Johannes Kivits Adrianus Henricus J. van der Lee Johannes Gerardus A. Merkx Gerardus Nicolaas Netten Alphonsius Antonius Schijvens Johan Josephus W.Schoutens Adrianus Johannes J. Schuurmans Franciscus Antonius G. Slijpen Adrianus van Vuuren Henricus Martinus van de Wouw


Omgekomen in concentratiekampen.

Rest ons een serie namen van degenen die (hoogstwaarschijnlijk in verband met de Arbeitseinsatz) in Duitse concentratiekampen zijn omgekomen zonder dat wij de redenen kennen waarom zij daarin terechtkwamen. Het kunnen weigeraars of contractbrekers zijn. Mogelijk zijn het ook mensen die als gevolg van recalcitrant gedrag in Duitsland zelf terechtkwamen in concentratiekampen.

Herman J.M. van Boxtel Harry Kolen Gerrit J. Lubbers Franciscus J.A. van den Nouweland Auke A. Sybenga Friedrich J.H. Vroemen

(Bron: zie hoofdstuk 3, Het leven gebroken)