Smokkelen

In 1830 werd België onafhankelijk van Nederland. Hoewel voor die tijd ook al veel werd gesmokkeld, begon deze illegale bedrijvigheid daarna pas echt. De Tilburgers, die relatief dicht bij de grens woonden, lieten zich niet onbetuigd. In enkele periodes na de Belgische onafhankelijkheid waren sommige Tilburgse volksbuurten ware ‘smokkelaarsnesten’. In het laatste kwart van de negentiende eeuw specialiseerden de Tilburgse smokkelaars zich in zout, dat in België goedkoper was en werd gebruikt voor bijvoorbeeld het pekelen van een geslacht varken. De Eerste Wereldoorlog bracht opnieuw veel smokkelaars op de been, die onder meer Tilburgse dagbladen per vlieger naar België smokkelden. De Duitse bezetter verbood immers een vrije pers in België, maar er was wel behoefte aan juiste informatie. In die periode begon ook het smokkelen per auto. Veruit het grootste aantal Tilburgse smokkelaars verscheen tijdens de crisisjaren. Werkeloos geworden arbeiders zagen zich gedwongen om met smokkelen wat bij te verdienen. Dat tijdens de kermis (kermis - drooglegging) toch illegaal het glas werd geheven, was te danken aan smokkelaars. Tilburgse smokkelaars speelden ook een hoofdrol bij de handel in speelkaarten. Deze werden gedrukt in Turnhout en waren in België goedkoper, omdat in Nederland een speelkaartenbelasting werd geheven. Er werden zo veel speelkaarten gesmokkeld dat de overheid de belasting ongedaan maakte. Na de Tweede Wereldoorlog ontstond een schare Tilburgse gelegenheidssmokkelaars die over de grens goederen kochten die hier nog op de bon waren, zoals boter. Ook ontstond er toen een Tilburgse dieventaal. In 1954 werd de alom beruchte smokkelaar de Zwarte Ruiter in Tilburg gearresteerd.