Cookies helpen ons onze services aan te bieden. Door onze services te gebruiken stemt u in met het gebruik van onze cookies.

Nott, Jack Stewart

Jack Stewart Nott
Nott 1.jpg
Volledige namen Jack Stewart Nott
Geboortedatum 26-03-1918
Geboorteplaats Armidale, New South Wales (AU)
Adres 192 Dangar Street
Woonplaats Armidale
Burgerlijke staat Gehuwd
Naam echtgeno(o)t(e) Airlie Grant Quartly
Beroep Metselaar
Overlijdensdatum 09-07-1944
Plaats van overlijden Tilburg
Bijzonderheden www.canberratimes.com.au/

Geef de oorlog een gezicht!

Kun jij ons helpen met het schrijven van het levensverhaal van deze persoon?

Hoewel het 80 jaar geleden is dat er een einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog blijft het belangrijk de slachtoffers te herdenken. We willen door hun verhaal te vertellen de slachtoffers eren en de herinnering levend houden

Alle Tilburgse oorlogsslachtoffers zijn opgenomen in de Wiki Midden-Brabant en we streven er naar van ieder een levensbeschrijving en foto op te nemen.

Helaas hebben we van sommigen maar beperkte of soms helemaal geen informatie. We hebben jouw hulp nodig deze levensverhalen vast te leggen door ontbrekende informatie aan te vullen met verhalen of foto’s. We ontvangen je reactie graag via info@regionaalarchieftilburg.nl o.v.v. Wiki Oorlogsslachtoffers.


Nott, Jack Stewart (geb. 26-03-1918 Armidale (AU), gest. 09-07-1944 Tilburg), metselaar, bommenrichter. Zoon van Charles Frank Nott (1878-1973) en Beatrice Eva Stewart (1879-1964). Hij trouwt op 28 mei 1940 met Airlie Grant Quartly. Uit dit huwelijk wordt een zoon geboren. Nott wordt op 09-07-1944 doodgeschoten in Tilburg.

Achtergrond

Jack Stewart Nott wordt geboren op 26 maart 1918 in Armidale, een klein plaatsje in New South Wales, Australië. Jack is de zoon van Charles Frank Nott en Beatrice Eva Stewart. Jack heeft nog een broer, Reginald, en een zus, Zona[1].

Na zijn schooltijd gaat Jack als metselaar aan het werk. Hij trouwt op 28 mei 1940 met Airlie Grant Quartly en op 30 juni 1941 wordt hun zoon Antony Stewart geboren.

Jack Stewart Nott
Nott 2.jpg
Een foto van Jack uit zijn service-file

Diensttijd

Vanaf 4 april 1941 staat Nott geregistreerd als vrijwilliger bij de Air Force reservisten. Hij meldt zich op 1 februari 1942 bij het No. 2 Recruiting Centre in Sydney, nadat hij fit bevonden is om bij de R.A.A.F. in dienst te gaan. Vervolgens krijgt hij zijn basisopleiding bij de No.2 Initial Training School in Bradfield. Hierbij wordt hij getraind in de basisprincipes van onder andere navigeren, schieten en morsecodes. Op 2 juli 1942 wordt Jack ingescheept in Sydney voor de reis naar Canada, waar hij op 7 augustus arriveert.

In Canada wordt Jack verder opgeleid tot Navigator. Zijn navigator-badge ontvangt hij op 5 februari 1943, waarna hij ook gepromoveerd wordt tot Pilot Officer. Zijn opleiding wordt vervolgd om hem tot bommenrichter op te leiden. In het Canadese Halifax wordt Jack op 8 april 1943 ingescheept om met een konvooi de Atlantische Oceaan over te steken. Hij arriveert op 17 april 1943 in Engeland.

Via de No. 19 Operational Training Unit, waarhij al kennis maakt zijn toekomstige bemanningsleden, komt Jack op 29 september bij de No. 1658 Heavy Conversion Unit (H.C.U.) in Ricall. Bij de H.C.U. worden bemanningsleden wegwijs gemaakt met viermotorige Halifax bommenwerpers en vormen daar een hecht team. Inmiddels is Jack op 5 augustus opgeklommen tot Flying Officer en heeft hij de functie van bommenrichter.[2]

No. 77 Squadron

Jack en zijn bemanning worden op 9 november geplaatst bij het No. 77 squadron in Elvington, waar ze op 3 december hun eerste bomaanval moeten uitvoeren. Hun eerste aanval moet echter voortijding afgebroken worden doordat hun Gee -navigatiesysteem niet werkt. De bemanning dropt hun bommen boven zee en landt een uur en drie kwartier na opstijgen weer op de thuisbasis. De echte vuurdoop krijgt de bemanning op 20 december tijdens een aanval op Frankfurt. Een week later wordt ook hun derde missie voortijdig afgebroken doordat de linker motor hapert. In de maanden februari, maart en april worden diverse missies gevlogen waarbij onder andere zeemijnen worden afgeworpen en een bombardement bij Le Mans wordt uitgevoerd. 15 mei 1944 verhuist het No.77 Squadron naar het nieuwe vliegveld Full Sutton.

Na ongeveer een maand, waarin Jack een week met verlof mag en de bemanning training krijgt, hervat de bemanning op 11 juni hun bombardementsvluchten. Tijdens deze vlucht wordt het rangeerterrein van Massy-Palaiseau, ten zuiden van Parijs, gebombardeerd. Drie dagen later wordt het Franse dorpje Évrecy zwaar gebombardeerd. Het Geallieerde opperbevel had in de gaten dat zich tussen de plaatsen Caumont-L'Éventé en Caen een grote Duitse pantsereenheid aan het verzamelen was om het Geallieerde bruggenhoofd dat zich na de landingen van D-Day had gevormd aan te vallen. Het dorpje Évrecy wordt die nacht met de grond gelijk gemaakt, waarbij een op de drie inwoners in hun slaap om het leven komt[3][4][5].

Crash Halifax MZ698

In de nacht van 16 op 17 juni 1944 wordt de synthetische olieraffinaderij in Sterkerade aangevallen door 321 vliegtuigen. In totaal 162 Halifaxes, 147 Lancasters en 12 Mosquitos laten hun bommen ondanks het slechte weer vallen. De Halifax van Jack wordt op de terugweg aangevallen door een Duitse nachtjager en stort neer bij Boskant, in de buurt van St. Oedenrode. Bij de crash komen vijf van de acht bemanningsleden om het leven. [6]

Drie bemanningsleden, waaronder Jack, weten het vliegtuig te verlaten. Navigator Flight Sergeant J.H. Bulmer en wireless operator Flight Sergeant J.W. Needham worden bijna direct door de Duitsers gevangen genomen. Jack Nott komt met zijn parachute neer bij Olland en weet zich te verbergen. In de ochtend spreekt hij G. van Kemenade aan die Nott naar zijn woning aan de Boschdijk 870 in Acht brengt en het verzet informeert over de vlieger. De volgende dag haalt Wobbe Akkerman Nott op en brengt hem naar de familie Schoo aan de Boschdijk 932, eveneens in Acht. Jack blijft daar twee nachten en wordt vervolgens, weer door Wobbe Akkerman, naar de boerderij van Petrus Kuyten aan het Wettenscheind C117 in Nuenen gebracht. Na een paar dagen krijgt hij gezelschap van F/Lt. Ronald Arthur Walker, de piloot en enige overlevende van de bemanning van Lancaster ND551.

Op 29 juni fietsen beide vliegeniers, begeleid door Walther de Vries en twee andere mannen, via Eindhoven naar Aalst. Aanvankelijk duiken zij onder bij de familie Perquin aan de Willibrorduslaan 9. Kort daarna verhuizen ze naar de zusters van Moorsel aan de Stationsstraat 232 in Waalre. Op 8 juli omstreeks 20.00 uur worden Walker en Nott hier opgehaald door een auto (DKW F8), bestuurd door de Nederlandse verzetsleden Aarts, Brunnekreef en Haagen. Jack en Ronald worden naar de woning van Jacoba Pulskens (Tante Coba) aan de Diepenstraat 25 in Tilburg gebracht waar zij zich bij F/O Roy Edward Carter voegen die daar in de middag al is aangekomen.[7]

Roll of Honour
Nott monument.jpg
Vermelding van Nott op de Roll of Honour in het Australian War Memorial, Canberra, Australië. Fotograaf A. Holman

9 juli 1944

Op 9 juli 1944 doet de Duitse politie (SiPo/SD) een inval bij het huis van Coba Pulskens aan de Diepenstraat. De auto die Nott en Walker op 8 juli heeft afgeleverd, wordt later op de dag door een Duitse controlepost bij Moergestel aangehouden. Alle inzittenden, waaronder twee andere geallieerde piloten, worden gearresteerd. Na verhoor wordt het adres van Coba Pulskens aan de Diepenstraat genoemd. De volgende ochtend dringt de Duitse politie gewapend Pulskens’ woning binnen. De drie piloten zitten op dat moment te ontbijten. Carter wordt in de keuken doodgeschoten, Nott en Walker op de binnenplaats. Het verhaal gaat dat Pulskens wordt gevraagd een laken te halen om de lichamen van de piloten te bedekken. Volgens de overlevering komt zij terug met de Nederlandse vlag. Pulskens en Van Harssel worden gearresteerd. Na de executie worden de lichamen van de drie piloten gekist en overgebracht naar kamp Vught, waar zij vermoedelijk zijn gecremeerd.

Het proces in Essen

Van 11 tot 26 juni 1946 vindt er voor het British Military Court in Essen (Duitsland) een proces plaats tegen tien leden van de SIPO/SD die betrokken waren bij de gebeurtenissen in de Diepenstraat. Voor hun aandeel in de moord op de drie piloten worden Karl Cremer (1910), Albert Rösener (1911), Karl Schwanz (1898) en de Oostenrijker Michael Rotschopf (1920) ter dood veroordeeld. Het vonnis wordt op 5 september 1947 voltrokken door ophanging in de gevangenis in Hameln.

Franz Schönfeld, Eugen Rafflenbeul, Karl Brendle (1908), Karl Otto Klingbeil (1903), Hans Ernst Harders (1905) en Werner Koeny worden vrijgesproken. In augustus 1946 is dit zestal echter met enkele andere Duitsers naar Nederland overgebracht om berecht te worden voor de diverse andere door hen in Nederland gepleegde misdrijven.

Gebeurtenis

Inval Coba Pulskens, Diepenstraat, 9 juli 1944

Monument

Jack Stewart Nott wordt herdacht op het Runnymede memorial, het monument van de vermiste militairen en op het Australian War Memorial en de Ballarat Australian Ex-Prisoners of War Memorial.In zijn woonplaats Armidale wordt Jack herdacht op de Armidale City Bowling Club WW2 Honour Roll, de Armidale High School WW2 In Memoriam Honour Roll. Op 13 juni 1946 krijgt Jack vanwege het tijdelijk ontlopen van krijgsgevangenschap een eervolle vermelding in The London Gazette[8].

Externe links

Noten

  1. www.ancestry.co.uk
  2. Bron: Servicefile Jack Stewart Nott. National Archives Australia. A9300, NOTT J S.
  3. www.liberationroute.com/nl/pois/990/the-destruction-of-evrecy
  4. Bron: National Archives London. 77 squadron operational record book november 1943 t/m juni 1944.
  5. Bron: National Archives London. 77 squadron summary of events november 1943 t/m juni 1944.
  6. dit zijn Piloot Flight Lieutanant Sydney Edward Wodehouse, Flight Engineer Sergeant Douglas Dean Roberts, Mid-Upper gunner Sergeant Robert Cottar, Staartschutter Sergeant John Henry Brown en Tweede piloot Flying Officer Arthur HanleyFord. Zij worden begraven op de oorlogsbegraafplaats van het Gemenebest Eindhoven-Woensel.
  7. www.verliesregister.studiegroepluchtoorlog.nl/ahome/evaders/results?enummer=E0542
  8. London Gazette 13 June 1946 page 2818