Koen van der Gaast

Koen.jpg

De in 1923 in Utrecht geboren Koen van der Gaast is een belangrijk persoon in de Nederlandse stationsarchitectuur. Het station van Tilburg is onder andere van zijn hand. Hij overleed in februari 1993 in zijn geboorteplaats.

Studie

Van der Gaast studeerde in 1941 en van 1945 tot 1949 Bouwkunde aan de Technische Hogeschool te Delft waar hij onder andere les kreeg bij M.J. Granpré Molière. In zijn studietijd is zijn architectuuropvatting een middenweg geworden tussen de ideeën van Granpré Molière en de meer progressieve opvattingen van hoogleraren Van Eesteren en Van den Broek. Van der Gaast studeerde uiteindelijk af bij de functionalist Van den Broek.

Stationsarchitect

Na zijn studie werkte de architect bij het bureau van P.J. Koster in Zeist, maar hij had tegelijkertijd een baan als medewerkend architect bij Schelling en Van Ravesteyn op het architectenbureau van de Nederlandse Spoorwegen (NS). Dit was het begin van zijn carrière als stationsarchitect. In het begin van zijn loopbaan was Van der Gaast vooral de 'neutrale' partij tussen de vaak ruzie makende Schelling en Van Ravesteyn. In 1953 veranderde de positie van Van der Gaast toen hij het stokje van de twee ruziënde heren overnam en de leiding kreeg over de afdeling gebouwen bij de NS.

ontwikkeling van een eigen stijl

Het station van Eindhoven (1956) was de eerste grote opdracht voor de geboren Utrechter. In de ronde ramen en het grote venster aan de voorzijde is duidelijk de invloed van zijn voorganger Van Ravesteyn te herkennen. Gedurende de jaren vijftig ontwikkelde Van der Gaast echter een compleet eigen visie op de stationsarchitectuur. Er kwam grote nadruk te liggen op de stationskap als overkoepelend element. Van der Gaast werd door collega Douma ook wel 'de architect die de stationsfaçade ophief' genoemd.

Hij was een van de eersten die inspraak duldde en daar vervolgens ook iets mee deed in zijn ontwerp. Daarnaast had hij veel contact met de constructeurs om het ontwerp en de constructieve opzet in elkaar op te laten gaan.

Stationsoverkapping

De stations van Almelo (1962) en Tilburg met het Kroepoekdak (1965) zijn goede voorbeelden van het gebruik van een grote overkapping over de perrons, de verkooppunten en een deel van het stationsplein. De constructieve vormgeving van de welhaast zwevende kap bepaalt het beeld van beide stations. Waarschijnlijk is de Wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel, waar grote paviljoens met nieuwe constructietechnieken te zien waren, een inspiratiebron voor Van der Gaast geweest. Van der Gaast probeerde steeds een stationsgebouw te ontwerpen dat paste in de omgeving. Hierdoor zijn al zijn ontwerpen zeer verschillend, hoewel er veel terugkerende elementen zijn aan te treffen zoals gladde materialen, gele bakstenen en de tegelstrips van De Porceleyne Fles. In de jaren 60 en 70 richtte Van der Gaast zich vooral op de planologische aspecten van de stationsbouw. Mede om gezondheidredenen namen zijn werkzaamheden na 1980 langzaam af.

Bron