Jan Pijnenburg

Johannes (Jan) Baptist Norbertus Pijnenburg (Tilburg 1906 – Tilburg 1979) werd als jongetje al gegrepen door de wielersport op de baan van de TWEM, waar hij snoepgoed verkocht. Van de opbrengst kocht hij zijn eerste wielerfiets.

In 1921 begon hij serieus te wielrennen, aanvankelijk op de weg, waar hij opviel door zijn sprintcapaciteiten. In 1928 won hij zilver op de ploegenachtervolging tijdens de Olympische Spelen in Amsterdam. Daarna werd hij professional en specialiseerde hij zich in het baanwielrennen. Deze sport floreerde in het vooroorlogse Europa en kreeg veel publiciteit. Door zijn virtuoze rijstijl werd hij geliefd bij de toeschouwers en de baandirecteuren.

In 1931 won Pijnenburg met Albert Schön in Dortmund zijn eerste zesdaagse. Later won hij er nog zestien, werd hij elf keer tweede en zes keer derde. Met koppelgenoten als Cor Wals, Janus Braspennincx en Jos Slaats moest hij hiervoor afreizen naar onder meer Parijs, Chicago, Berlijn, Frankfurt, Kopenhagen en Antwerpen. Daarnaast zegevierde Pijnenburg met diverse partners nog in zo’n driehonderd baanwedstrijden.

Een Franse verslaggever betitelde Pijnenburgs explosiviteit als een boule de canon. Dit bezorgde Pijnenburg in Nederland de hieruit vertaalde bijnaam ‘de Kanonbal’. Hij werd ook zes keer Nederlands kampioen, eenmaal op de sprint, drie keer op de achtervolging en twee keer op de 50 kilometer. In 1934 reed hij een wereldrecord op de 5 kilometer. In hetzelfde jaar trouwde hij met Mimi Bierens.

Pijnenburgs populariteit werd bevestigd door het feit dat de toeschouwers massaal voor het stadhuis stonden en dat de internationale pers verslag deed van het huwelijk. In 1940 kwam er een einde aan zijn carrière als wielrenner. Pijnenburg had van 1939 tot 1975 café-restaurant Old Dutch op de Heuvel (Korte Heuvel). In Tilburg werden een wielerclub en een wielerbaan vernoemd naar de meest succesvolle vooroorlogse baanwielrenner uit Nederland.