Jace van de Ven

Tijdens zijn rechtenstudie aan de voorloper van de Universiteit van Tilburg werd Jace van de Ven (Leende 1949) in 1977 parttime rechtbankverslaggever voor Het Nieuwsblad van het Zuiden. Van 1977 tot 2008 was hij journalist en kunstredacteur bij die krant en bij de opvolgers Het Nieuwsblad en het Brabants Dagblad. Hiervoor schreef hij vele artikelen, recensies en columns. Hij genoot veel aandacht met zijn column Putjesschepper, die jarenlang wekelijks in de krant verscheen. Daarnaast ontpopte Van de Ven zich als een veelzijdig poëzie-, proza- en dramaschrijver. Van hem verschenen onder meer de verhalenbundel Bessen die mijn liefde was (1971) en de dichtbundels Mijn tragische ziekte en dood (1977), Kroniek van verlangen (1984), Een dagje aan/op/in het water (1988), Bezijden de Noordstraat (1999) en Voorbij de meet (2006). Voor het toneel schreef Van de Ven de Volksopera Willem II (1992), Sneeuwwitje en de Zeven Dwergen (1998) en De ark van Nowee (2005). Hij was als auteur ook betrokken bij alle edities van de Tilburgse Revue. Daarnaast bewees hij zich als een zeer getalenteerd ‘tonpraoter’ (leuteren). Van de Ven was van 2003 tot 2005 de eerste Stadsdichter van Tilburg en in het kader daarvan werd zijn dichtbundel Tilburger uit enthousiasme gepubliceerd. In hetzelfde jaar werd zijn gedicht Opdracht vormgegeven tegen een blinde gevel naast zijn woonhuis in de Noordstraat. In 2010 publiceerde hij met Rob van Trier en Jan Stads het boek Dagboekbroeders: drie kunsten in één. Van de Ven ontving in 1993 de Ad Vinkenprijs en in 2006 de Brabantse Dialectpenning. Hij nam in 2008 afscheid als journalist.