Hoogleraar

BalkTiu.jpg

Hoogleraar is de hoogste wetenschappelijke rang aan een universiteit. Hoogleraren worden ook wel ordinarius of leerstoelhouder genoemd. In de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is vastgelegd dat hoogleraren bij uitstek verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling van het hun toegewezen wetenschapsgebied en voor de inhoud van het onderwijs op dat gebied. In het benoemingsbesluit van een hoogleraar moet worden vermeld wat dat wetenschapsgebied is: de leeropdracht. Het is gebruikelijk dat net benoemde hoogleraren een inaugurele rede of oratie houden. Meestal geven ze daarbij een overzicht van ontwikkelingen in hun vakgebied en de bijdrage die zij daaraan willen leveren.

Hoogleraren.jpeg

Professor

Hoogleraren zijn gerechtigd de titel ‘professor’ te voeren. Professor is, in tegenstelling tot bijvoorbeeld ‘doctor’, geen academische graad. De titel betekent dat iemand als hoogleraar verbonden is aan een universiteit en mag niet onrechtmatig worden gebruikt. Als een hoogleraar met pensioen gaat mag hij de titel blijven voeren. De pensioenperiode van een hoogleraar wordt emeritaat genoemd; de hoogleraar wordt dan ‘emeritus’. In academische kringen wordt daar soms de term otium cum dignitate aan toegevoegd, wat ‘rust in waardigheid’ betekent.

Promotierecht

Een hoogleraar heeft het recht om een wetenschapper te promoveren tot doctor (dr.), het ius promovendi. Sinds 2017 is dit recht overigens uitgebreid tot universitair hoofddocenten (associate professors), waarmee aangesloten wordt bij de praktijk in het buitenland. Het promotierecht vervalt vijf jaar nadat een hoogleraar met emeritaat is gegaan.

Het functieordeningssysteem UFO van de Nederlandse universiteiten kent tegenwoordig hoogleraren 1 (schaal 18) en 2 (schaal 16). Het verschil zit in ervaring, verantwoordelijkheden en het niveau waarop de hoogleraar het vak beoefent (onder meer: internationale reputatie). Er zijn aan het hoogleraarschap geen opleidingseisen of harde benoemingsvoorwaarden verbonden. De laatste decennia is wetenschappelijke output (publicaties, promoties) een cruciale rol gaan spelen bij bevordering van wetenschappers tot hoogleraar. Maar ook de bijdrage aan onderwijs, bestuur of valorisatie zijn gronden voor een benoeming tot hoogleraar.

Soorten hoogleraren

Universiteiten maken een onderscheid tussen ‘gewoon’ hoogleraren en ‘bijzondere' hoogleraren. Bijzondere leerstoelen kunnen uit ideëel oogpunt worden gevestigd (en gefinancierd) door een externe organisatie en zijn bedoeld als verrijking van het palet van de universiteit. Bijzonder hoogleraren worden vaak voor één dag per week benoemd en combineren hun functie in principe met een maatschappelijke functie. In het verleden werd ook de term 'buitengewoon hoogleraar' gebruikt, voor professoren die in deeltijd waren aangesteld.

In het Engels wordt een hoogleraar aangeduid als ‘full professor’. Universitair docenten (UD’s) en universitair hoofddocenten (UHD’s) heten ‘assistant professor’ en ‘associate professor’, begrippen die ook aan Tilburg University worden gebezigd.

Voor 1980 kenden universiteiten ook lectoren, een rang direct onder de hoogleraar. Deze functie is vervallen, maar kwam rond 2000 weer in gebruik voor een functie in het hoger beroepsonderwijs (hbo). Lectoren in het hbo initiëren en coördineren praktijkgericht onderzoek en vormen zo de brug tussen de opleiding en het werkveld op hun vakgebied.

Aantallen

Eind 2016 hadden de Nederlandse universiteiten volgens cijfers van de Vereniging van Universiteiten VSNU 2.736 fte (gewoon) hoogleraren in dienst, waaronder 523 (19 procent) vrouwelijke professoren. In Tilburg bedroeg de formatie aan hoogleraren 161 fte, waarvan 28 fte (17 procent) vrouw. Om het aandeel vrouwelijke hoogleraren te verhogen, werd in 2015 het Philip Eijlander Fellowship Programma ingesteld, een stimuleringsfonds voor diversiteit.

Tilburg University heeft relatief gezien de meeste hoogleraren van Nederland. Van het Tilburgse wetenschappelijk personeel (exclusief promovendi) heeft 25 procent de rang van hoogleraar (landelijk: 15 procent). Het bovengemiddeld aantal hoogleraren is deels terug te voeren op het in Tilburg gehanteerde loopbaanbeginsel, waarbij bevordering tot hoogleraar primair afhangt van prestaties en niet van de noodzaak om (nog) een leerstoel te vestigen (formatiebeginsel).