Grofsmid

De grofsmid maakte in opdracht van bijvoorbeeld de wagenmaker het ijzerwerk voor boerenkarren. Denk hierbij aan de ijzeren repen om de houten wielen. Bernard van Dam schrijft in zijn boek ”Oud-Brabants dorpsleven” over de boerenkar het volgende: “Aanvankelijk waren de karren niet zo zwaar en hadden een draagvermogen van 1000 kg. Vanaf 1900 werd dat 1500 kg en rond 1920 was dit al 2000 kg en een goede voermanskar moest 3000 kg kunnen dragen. Voor het maken van de ijzeren repen voor de wielen van een hoogkar had de smid al gauw 120 kilo ijzer nodig en voor de as circa 70 kilo. Tel daarbij nog bijna 200 zelfgesmede spijkers, ophangbeugels, bouten en moeren etc. dan besef je pas, dat er veel arbeidsuren mee gemoeid waren.” De grofsmid maakte ook veel handgereedschappen zoals turfschop, krabzeis, meststik, houthak (dissel) en nog veel meer boerengerief. Het is de grofsmederij die kon uitgroeien tot een constructiebedrijf voor het maken van bijvoorbeeld stalen spanten voor schuren of hekwerken om tuinen.