Eerste Communie

Als de grote dag was aangebroken, ging de communicant met zijn ouders ’s ochtends naar de H.-Mis. Van te voren mocht men niets eten of drinken. De communicanten kregen een voorname plaats vooraan in de kerk, want de dienst draaide om hen. In de viering hadden sommige kinderen een taak, zoals het aansteken van een kaars of het voorlezen van een versje. Het hoogtepunt tijdens de viering was natuurlijk de communie. De kinderen moesten in een rij naar de communiebank en daar op de knieën op gaan zitten. De handen onder het witte kleed en zodra de pastoor kwam, het hoofd achterover houden, ogen sluiten en de tong uitsteken. De pastoor gaf dan de hostie op de tong. Een hostie mocht nooit met de handen worden aangeraakt en er mocht eigenlijk ook geen tand aan komen. De hostie is immers door de consecratie in de eucharistieviering het Lichaam van Jezus geworden, zo hadden ze geleerd. Daarna liepen de communicanten terug en dan moesten ze bidden met de handen voor de ogen. Na de kerkdienst was het thuis feest. Eerst moesten de communiekleren uit, want die mochten niet vuil worden. Dan kwamen opa, oma, ooms, tantes, neven en nichten op bezoek en die brachten cadeautjes mee. Het waren altijd cadeautjes die iets te maken hadden met de eerste communie, zoals een schilderijtje met prentjes van het weesgegroet, een beeldje van het kindje Jezus als herdersjongen, een rozenkrans of een grote reep chocola.