Carnaval

Het Tilburgs carnaval is in de jaren zestig van de vorige eeuw als het ware heruitgevonden, maar het bestond aantoonbaar al in de zestiende eeuw. Toen heette het carnaval nog vastenavond en werd het gevierd op de dag en de avond voor Aswoensdag.

De voor zover oudst bekende vermelding van dit feest staat in een voogdijrekening over de jaren 1586-1598. Hierin is opgetekend dat het weeskind Jenneken, dochter van Pauwels Gijben, vier stuivers kreeg om met ‘vastelavont’ haar ‘gelach’ te betalen. Een van de verdwenen gebruiken tijdens vastenavond was het gansrijden. Dit spel werd in 1765 nog gespeeld.

In 1857 leidde de vastenavondviering tot de grootste rel uit de carnavalsgeschiedenis van Tilburg. Als gevolg van deze aanvaring tussen geestelijkheid en burgerij werd het carnaval in Tilburg verboden. Dit was een van de belangrijkste redenen waarom het zo lang heeft geduurd alvorens Tilburg weer een openbaar carnaval kreeg. Vastenavond kon alleen nog in huiselijke kring of in de beslotenheid van verenigingen en sociëteiten worden gevierd.

Precies een eeuw na het carnavalsoproer trok in 1957 voor het eerst weer een openbare carnavalsoptocht door Tilburg. Dit betrof een kinderoptocht in de wijk Jeruzalem. Het stadsbestuur bleef de carnavalsviering ontmoedigen, maar in 1963 was er geen houden meer aan. Carnavalsvereniging De Bierpompen haalde de prins in een open rijtuig af van het station. De politie schreef 34 processen-verbaal uit wegens verstoring van de openbare orde.

In 1965 werd Carnavalsvereniging De Kruiken Tilburg opgericht. Deze organiseerde in 1965 de eerste officiële optocht en Willem I (van Pelt) werd als eerste stadsprins op het stadhuis ontvangen.

Vanaf het begin waren de kruik en de Kruikenzeiker (Kruikenzeikers) de symbolen van het Tilburgse carnaval. In 1968 werd de Kruikenzeiker voor de eerste keer op een sokkel op de Heuvel geplaatst.

Het Geheugen van Tilburg