Cookies helpen ons onze services aan te bieden. Door onze services te gebruiken stemt u in met het gebruik van onze cookies.

Bombardement Tilburg, Noordstraat.


Een brisantbom in de Noordstraat.

Het is acht minuten over vier in de middag. De uitkijkpost van de Luchtbeschermingsdienst op het Paleis-Raadhuis meldt dat er brisantbommen zijn ingeslagen, drie in de Spoorlaan en één in de Noordstraat. Het doel was vermoedelijk het stationsemplacement. In de Spoorlaan ontstond alleen materiële schade. In de Noordstraat verloren dertien mensen hun leven, elf op de dag zelf, twee niet lang daarna. Dertien doden (1) op de eerste dag van de oorlog in Tilburg.

Pierre van Beek, journalist bij Het Nieuwsblad van het Zuiden, was getuige van het voorval. Hij schreef:

‘Ter hoogte van het kerkhof van den Bredascheweg gekomen zag ik boven het Noordelijk deel van de stad drie vliegmachines, zeer hoog voorbij gaan. Zij vlogen van west naar oost. Ik dacht bij mezelf op dat moment “als ze wat doen kan het hier toch geen kwaad want ze zijn ver genoeg weg”. Nauwelijks had ik deze gedachte gehad of ik hoorde een of meer scherpe fluittonen, gevolgd door een of meerdere knallen, Of ik ook iets heb zien vallen, weet ik niet meer. Ik schoot op het horen van de knal, eventueel knallen, zoo vlug ik kon achter den muur van het kerkhof in de straat op den hoek, waarvan de zaak van Lepelaars gevestigd is, met de bedoeling dekking te zoeken voor eventueel rondvliegende scherven van bommen. Er gebeurde echter niets. Toen ik weer eens voor het hek van het kerkhof ging kijken, zag ik een geweldige rookkolom opstijgen. Ik schatte hem ter hoogte van het station of misschien ook in den Besterd. Eerst dacht ik aan brand, doch later meende ik, dat de rookkolom een stofkolom was van een bom, die op een huis was gevallen. Hiermede was ik getuige geweest van de eerste bommen, die er op Tilburg waren gevallen.’,


We hebben - uit de tweede hand - nog een andere getuige, een ooggetuige zelfs die zelf slachtoffer werd. Het gaat om mevrouw Ricken, eigenares van een 'corsetterie' die de Noordstraat toen rijk was <op nummer ?>. Haar verhaal vinden we in een artikel waarvan we niet weten in welk blad het heeft gestaan en van wanneer het dateert. Het artikel draagt als kop 'En toen viel de bom'. Het lijkt om oorlogsherinneringen te gaan die na de oorlog vastgelegd zijn door een naamloze auteur. Het volgende fragment noteerde hij kennelijk uit de mond van mevrouw Ricken:

“Het was tien over vier, de school ging net uit. De heer Inderfurth was bij mij de ramen aan het beplakken2) toen de bom viel. Het was één grote zuil van glassplinters. Mijn dochtertje zat voor het raam maar mankeerde nog geen schrammetje. Alles was stuk in de kamer. Het is belachelijk eigenlijk dat ik het vertel maar tegen een klein muurtje tussen twee smalle ramen stond een Gerardusbeeldje en dat mankeerde niets, dat stond er nog net zo. Van de winkel en etalage was niets meer heel. Mevrouw de Mast was bij mij binnen. Achter stond alles open en we keken zo op het Heilig Hartbeeld in de tuin. Op de radio kwam juist het bericht dat de Duitsers onze jongens op de Maasbrug bij Venlo op de machines zetten. Ik zie het nog voor mij hoe ze naar het beeld keek en zei 'Och lieve Jezus, bescherm onze Hollandse jongens.' Dat mens huilde echt. Daarna is zij met haar dochter naar voren gelopen. Ik ging zover met haar mee naar buiten, in het portiek was het net of een onzichtbare hand mij tegenhield. Mevrouw Mast viel neer en begon direkt met haar ogen te draaien. Haar dochter holde weg. Ik heb me nog over haar heen gebogen en kon alleen uitbrengen: 'Och juffrouw Mast, ge gaat toch niet sterven zeker?' Onze Gerard, toen vijf jaar, was ook buiten. Ik dacht: 'Daar is niets meer van te vinden'. Een jongen die in Goirle op school zat sloeg dood neer. Aan de overkant liep mijnheer Gijzelhart uit de Besterdring en die sloeg ook dood neer. En onze Gerard stond daartussen. Ik was in verwachting van m`n jongste maar ik drukte hem stevig tegen mij aan. Ik zie nog dat gezichtje toen hij in de lucht keek en zei: 'De vuile rotzakken'. Ik vergeet nooit dat gezicht van dat kind. Maar hij mankeerde niets. Ik had zelf scherven in mijn armen en lichaam. Een scherf heb ik er zelf uitgehaald. Mensen riepen: 'Juffrouw Ricken is haar handen kwijt', maar dat kwam omdat ik zo bloedde. Daar lagen in dat stukje straat dertien lijken. Als ik mijn ogen dicht doe zie ik het nog zo voor me. Het is onbegrijpelijk dat er niet meer slachtoffers waren. Je moet vergeven en vergeten, maar vergeten doe je het nooit”.

In het artikel wordt ook gewag gemaakt van August Stalpers en een zekere meneer Brands die met elkaar op straat aan het praten zijn, vlak voor de Duitse bom valt:

'De heer Brands kan nog maar niet wennen aan het idee dat hij op wat oudere leeftijd toch nog opnieuw aan de militaire acties zal moeten deelnemen. Maar hoe kan het anders, sinds vandaag is zijn land in oorlog en heeft het al zijn krachten nodig om de snelle opmars der Duitsers tot staan te brengen. Immers, de tijd dringt.'

Luttele minuten later valt een bom vlak voor huize Stalpers.

'Gust Stalpers en de heer Brands worden van de aardbodem weggeslagen en zijn op slag dood. Mevrouw Stalpers loopt achter het huis de plaats op en dat wordt haar dood. Bomscherven treffen haar in de buik en enige ogenblikken later sterft zij. Hun zesjarig dochtertje, dat een week eerder nog haar kommunie deed, bevindt zich buiten op straat. Zij wordt evenals haar vader op slag gedood, zodat in één enkel ogenblik aan een familie het leven is ontnomen.'

Het 3-jarig zoontje van de heer Inderfurth mankeert nauwelijks wat na 'door de luchtdruk opgenomen en bij sigarenhandel van Deurzen op het trottoir neergesmakt' te zijn. Zijn oudere broertje is minder fortuinlijk:

'De zevenjarige Peter heeft enkele bomscherven in het hoofd gekregen: hij ligt in de straatgoot en bezeert door de trekkende bewegingen van het lichaam telkens zijn hoofd tegen de trottoirband. Drie maanden later bezwijkt hij aan de verwondingen. Vader Inderfurth zelf heeft eveneens scherfwonden aan het hoofd maar blijft in leven'.


Ook mevrouw van Rijzewijk van de schoenwinkel hoort bij de slachtoffers: 'Haar benen worden weggeslagen en zij is, bij gebrek aan direkte hulp gedoemd dood te bloeden.', noteert de verslaggever. 'Haar twee zoontjes zijn kort tevoren naar buiten gegaan en spelen nies vermoedend achter het huis'. En hij vervolgt:

'Bij de laatste slachtoffers bevindt zich het zesjarig meisje Uiterwaal dat net op het punt staat haar vriendinnetje aan de overkant van de straat te begroeten. Wanneer de bom valt vinden beiden in deze ontmoeting de dood. Binnen enkele seconden telt de Noordstraat 13 doden en vele gewonden. Overal liggen de lichamen verspreid, sommigen nog in hevig bloedende doodstrijd. Mensen rennen met bebloede gezichten en lichaamsdelen verschrikt de straat op. Enkelen hebben zich in gordijnen gewikkeld die zij ergens hebben afgerukt. In stof, glas en rook zoeken, lopen en schreeuwen de gewonden door elkaar heen'.

Maar misschien nog het meest werden de lezers van het artikel getroffen door het lot van de gezusters Stam:

'Van de drie meisjes Stam komen de twee die gearmd liepen om het leven. De derde blijft ongedeerd. Door een kleine ruzie is zij enkele meters voor haar zusjes uit gaan lopen en die enkele meters zijn haar redding: zij blijft in leven.'



(1) Tot november 2009 is er van uitgegaan dat het totaal aantal slachtoffers in de Noordstraat 14 personen was. Dit aantal is o.a. gebaseerd op (korte) processen-verbaal van de politie met betrekking tot onderzoeken naar doodsoorzaken van oorlogsslachtoffers. Een dergelijk verbaal werd ook opgemaakt over Petronella H. Marinus. Zij zou op 11 mei 1940 na een bomontploffing gevonden zijn in de Noordstraat. Uit reacties van haar familie bleek echter dat zij overleed in de tuin van het ouderlijk huis op het adres Lijnsheike 20. (2) In het artikel wordt ook gewag gemaakt van 'het dienstmeisje van de sigarenhandel van Deurzen' dat vlak voor het vallen van de bom ziet hoe 'aan de overkant enige mannen bezig zijn de ramen te beplakken met papieren stroken. Dat moet de luchtdruk van een eventuele bominslag kunnen doorstaan.' Kennelijk was menig Tilburger al begonnen die maatregelen te treffen op de eerste oorlogsdag.


Bronnen

30. Archief van de Luchtbeschermingsdienst van Tilburg, inv.nr. 137 en 230. 29. Archief Gemeentepolitie van Tilburg, 1811-1947, inv.nr. 1178 Ad de Beer, Zo maar een stad. Tilburg 1940-1945, hoofdstuk 1, Tussen angst en illusie. Tilburg van 10 mei 1940 tot zondag 12 mei 1940. (Tilburg, 1994) Ad de Beer en Gerrit Kobes, Het leven gebroken. De geschiedenissen van de Tilburgers die als gevolg van de strijd tegen Duitsland en de bezetting van Nederland om ht leven kwamen. (Tilburg, 2002) Gesprek met de heer en mevrouw H.J. Marinus, 30.11.2009


Het Geheugen van Tilburg