53 De Strijdhoef

De Strijdhoef
Odenhout kaart 53 Strijdhoef.jpg
Vroegste vermelding 1350
Vroegst bekende eigenaar Ghisebrecht Ghisebrecht Tays sone en joncvrouwe Kathelinen Draecs zijns wijfs
Vroegst bekende pachter Jan Peter de Ridder en zijn oom Willem de Ridder (1421)


53 De Strijdhoef
1.6 22 december 2007 De Strijdhoef.jpg
De Strijdhoef december 2007.
53 De Strijdhoef
52.7 tekening kasteel met torentje a.jpg
Ontwerpschets van het kasteel met toren, gevonden in het archief van kasteel De Strijdhoef.
53 De Strijdhoef
52.8 den herd 't schoor.jpg
In de voormalige rectorswoning Schoorstraat 2 is tegenwoordig 't Schoor, heemcentrum voor Udenhout en Biezenmortel, gehuisvest. Op de foto de benedenruimte met den herd.
53 De Strijdhoef
52.9 terras theeschenkerij.jpg
De theeschenkerij is een onderdeel van het Educatief Cultureel Centrum in Udenhout. Hier verzorgen cliënten van ASVZ (Zorgorganisatie voor mensen met een verstandelijke beperking) de catering. In de prachtige tuin bij de oude serre van Schoorstraat 2 is een terras met zicht op de oude monumentale bomen.

Beschrijving van het landgoed


In het zogenaamde Stootboek, het leenboek dat is genoemd naar de griffier Jan Stoot die het omstreeks 1350 aanlegde, staat voor het eerst De Strijdhoef vermeld. De Strijdhoef wordt niet met naam genoemd, maar op basis van de latere bronnen staat vast, dat het om hetzelfde leengoed gaat. Op pagina 13 van het Stootboek staat dat Ghisebrecht Ghisebrecht tays sone en joncvrouwen kathelinen draecs sijns wijfs te leen houden 4 hoeven onder land, bosch ende beemde in Udenhout bi oesterwic. Het daaropvolgende leenboek, genaamd Spechtboek, opgesteld door Nicolaas Specht in 1374, vermeldt op pagina 51 Rolof taye Ghijsbrechts zoen die onder andere in leen heeft 4 hoven lants ende beempts in Udenhout gelegen bi oesterwijc.

Een akte, die de schepenen van ‘s-Hertogenbosch schreven in 1380, vermeldt voor het eerst de naam De Strijdhoef. Op 18 augustus van dat jaar verkocht Rutgher vanden Stadeacker aan Henrick Wijse een beemd in Udenhout bij Clappenscoer tussen Mette Palaerts en een erfenis genaamd Strijthoeven.

De ligging van het leengoed binnen Udenhout is niet in de oudste bronnen terug te vinden. Op geen enkele manier is er een locatie genoteerd. Omdat het leengoed zo lang intact is gebleven weten we wel exact waar het lag en wat de begrenzingen waren. Latere bronnen geven meer details prijs over de ligging. In het 15e-eeuwse leenregister van Strick stonden wel de belendingen genoemd, vier hoeven lants en beempts gheheyten die Strythoeven, comende mitten twee seyden aen des heeren straten ende mitten andere syde aan d'erve Jans van Haren. De beide straten zijn de Schoorstraat en de Groenstraat. Het erf van Jan van Haren lag aan de oostzijde, aan de Groenstraat. De noordelijke begrenzing staat niet genoemd, maar uitgaande van de strekking langs de Groenstraat ontstaat toch een aardig beeld van de oorspronkelijke grootte van De Strijdhoef binnen het huidige Udenhout.


Vier hoeven


Zoals blijkt uit de inschrijving in het leenregister, is het leengoed De Strijdhoeven vier hoeven groot, zo’n 48 bunder. Een hoeve beslaat een hoeveelheid grond waar een gezin van kon leven, het is een oppervlaktemaat. Het is dan ook niet vreemd, dat het leengoed de Strijdhoeven later vier hoeven kent, die elk hun eigen naam hebben. De Strijdhoef is later ook verdeeld in een Grote Strijdhoeve en een Kleine Strijdhoeve. Waarom deze verdeling plaats heeft gevonden, is niet duidelijk.

De Grote Strijdhoeve bestaat uit twee hoeven, de afterste hoeven, genaamd: des ridders hoeve en des heerden hoeve. De Kleine Strijdhoeve bestaat eveneens uit twee hoeven, de vorste hoeven, genaamd de scerpenbroecs hoeve en de loijaerts hoeve. De positie voorste (vorste) en achterste (afterste) hoeven is bekeken vanuit de Groenstraat. Ook nu nog ligt de Kleine Strijdhoeve vooraan op de hoek met de Groenstraat (locatie Schoorstraat 2) en de Grote Strijdhoeve ligt verderop aan de Schoorstraat (locatie kasteel De Strijdhoef). De vroegst bekende pachtcontracten uit het begin van de 15de eeuw spreken al over deze tweedeling, zonder daarbij de woorden “Grote” en “Kleine” te noemen. Over de vier oorspronkelijke hoeven is weinig specifieks bekend. Er zijn een paar akten die iets meer prijs geven over de gebouwen die de pachters tot hun beschikking hadden. Het blijft echter beperkt tot wat algemeenheden. De exacte ligging van de vier boerderijen is onduidelijk. Het is logisch te veronderstellen dat ze in de buurt van de wegen lagen. Mogelijk in groepjes van twee. De meeste boerderijen liggen dicht bij aan- en afvoerwegen. In het geval van de Strijdhoeven zullen de twee achterste hoeven een uitweg gehad hebben naar de Schoorstraat en de twee voorste hoeven naar de Groenstraat.

De familie Taye, die de Strijdhoeven in de veertiende eeuw in leen hielden van de hertog, woont in en rond Brussel. Zij verkeren in de kringen rond de hertog van Brabant. In de 16e eeuw komen de Strijdhoeven in handen van Bossche poorters. Daarmee krijgen ze een andere functie. Het worden plaatsen die interessant waren om te wonen voor de stedelingen die de drukte en de stank van de stad wilden ontvluchten. In sommige gevallen was er letterlijk sprake van een vlucht, bijvoorbeeld voor besmettelijke ziekten of geweld en onrust in de stad.

Het lijkt erop, dat de vier hoeven in de loop der eeuwen plaats maakten voor twee hoeven. Dat wil zeggen, er waren nog maar twee pachters, een voor de Grote – en een voor de Kleine Strijdhoeve. Dat zou kunnen betekenen dat de andere twee hoeven de functie kregen van woonhuis waar de eigenaren konden wonen als ze in Udenhout aanwezig waren.

Wanneer Jacob Bax het leengoed in 1577 overneemt van Dirk Arntz zijn er twee pachters voor de vier hoeven, namelijk Willem Peter Wouters en Peter Willemssoen. In een deling uit 1619 staat de Grote Strijdhoeve beschreven als huysingen, landerijen, een bogart en een vijver. In 1685, bij een verbouwing en vervanging van daken, is er sprake van een hooch huijs naest den hoff. In 1719, bij de verkoop in dat jaar, staat de Grote Strijdhoeve omschreven als een schone en welgelegen hoeve lands, bestaande in eene steene huysinge, schuer, stallinge, ommuerden hof, speelhuys, visvyver etcetera. Hier is duidelijk, dat de Grote Strijdhoeve meer is dan een veredelde boerenwoning. In een deel van die woning nam pastoor Elias Robben zijn intrek in maart 1723, in de agterste woning, den hoff ent somerhuijs met de veswouwen.


De eigenaren

Ghiselbert Tays

De oudst bekende leenman van de Strijdhoeven is Ghisebrecht Ghisebrecht Tays sone. Zijn naam staat geschreven in het hiervoor aangehaalde Stootboeck, waarin de lenen van de hertog van Brabant omstreeks 1350 zijn opgetekend. Bij de inschrijving staat joncvrouwen Kathelinen Draecs sijns wijfs vermeld. Of Kathelinen daarmee de vrouw is van Ghijsbrecht Ghijsbrecht Taye of dat Ghijsbrecht Taye de zoon is van Ghijsbrechts Taye en zijn vrouw Kathelinen Draecs, dat valt niet zo maar te concluderen. In het eerste geval zou het er op kunnen wijzen dat het leengoed de Strijdhoeven afkomstig was uit de familie Draeck en via vererving in de familie Taye terecht is gekomen. De familie Taye werd volgens sommige bronnen beloond voor haar diensten tijdens de kruistochten. Daarmee kwam ze in een goed blaadje bij de hertog van Brabant die de familie links en rechts leengoederen gaf. De genoemde Ghijsbrecht bezat meerdere leengoederen in het hertogdom. Bovendien leverde de familie diverse schepenen aan de schepenbank van Brussel en daarmee zat ze hoog in de bestuurlijke boom.

Het leenboek dat is aangelegd in 1374 laat zien dat Roelof Taye de leenman is die de Strijdhoef in bezit heeft: Roelof Taye Ghijsbrechts zoen houdt in leen 4 hoven lants ende beempts in Udenhout gelegen bi oesterwijc. Roelof Taye is rond 1350 geboren als zoon van Ghijsbrecht Taye en Catharina Coninck. Roelof trouwt met Isabeau (Elizabeth), dochter van Jan van de Werve. Uit dat huwelijk zijn vier kinderen bekend, allen dochters: Margaretha, Claire (trouwt met Waleran Draeck), Maria en Catharina (beiden religieuze in de abdij Noble de Forest in Brussel). Roelof Taye overlijdt in ieder geval voor 14 januari 1414. Zijn dochter Margaretha trouwt met Jan Happaert. Na zijn overlijden hertrouwt zij met Joannes de Famillereux. Zij volgt haar vader op als leenman van de vier hoeven in Udenhout.


De familie Happaert

Het is Margaretha Taye’s zoon Jan Happaert die in 1439 (na het overlijden van zijn moeder) de nieuwe leenman wordt. Na zijn overlijden gaat het leengoed over naar zijn zoon Lodewijck Happaert die het op 6 oktober 1483 verheft.


Brabantse notabelen

Jan Happaert verkoopt de Strijdhoeven aan Henrick Geerartss van Deventheren die het op 21 november 1550 verheft. Na zijn dood gaan twee van de vier hoeven in 1556 over op zijn weduwe Katharina van den Kerkhoven. De twee andere hoeven komen in bezit van Jacop van Deventheren, broer van Henrick, die op 12 maart 1557 zijn eed als leenman uitspreekt. Op 26 maart 1565 krijgt Diederick Aerts Diericx ze toebedeeld. Na de dood van Katharina komen de andere twee hoeven ook in handen van Diederick Aerts de Jonghe. Hij wordt de nieuwe leenman op 13 oktober 1565 en daarmee komt het leengoed de Strijdhoeven weer in één hand. Diederick verkoopt het leengoed aan zijn goede vriend Jacop Jansz Bacx, die het verheft op 17 oktober 1577. Jacop Bacx is een van de vele Bossche poorters die er buiten de stad een huis op na houden, waar zij zich tijdens oproer of epidemieën kunnen terugtrekken. Jacob Bax is rentmeester van de Staten van Brabant. Eind maart 1591 overlijdt hij en de Grote Strijdhoeve gaat over op zijn kleinzoon Jacob Bacx en de Kleine Strijdhoeve op zijn kleinzoon Jan Bacx. Beide heren verheffen hun leengoed op 25 maart 1592. De definitieve verdeling van de boedel van Jacob Bax en zijn weduwe Anna Hack vindt pas plaats in 1619 vanwege vele gerechtelijke procedures. Bij die verdeling raken de Grote en Kleine Strijdhoeven in verschillende handen. Op 26 juli van dat jaar komt de Grote Strijdhoeve in handen van Guillaume de Levin, de tweede echtgenoot van Anna Maria Berck, weduwe van Marcelis Jacobs Bacx. Guillaume de Levin sterft op 1 juli 1629 gedurende het beleg van ‘s-Hertogenbosch. Jonker Jan Simons Bacx verkrijgt de Kleine Strijdhoeve.

Jacob Bacx, nazaat van Marcelis Bacx, verkoopt in 1620 de Grote Strijdhoeve aan jonker Peter van Broeckhoven, rentmeester van de Staten van Brabant in het Kwartier van ‘s-Hertogenbosch. Nu raken de Grote en de Kleine Strijdhoeve in twee verschillende families.


Lijst van eigenaren van De Strijdhoef

  • 01 1350 Ghijsbrecht Ghijsbrechts Taye
  • 02 1374 Roelof Taye, Ghijsbrechts zoon
  • 03 14 januari 1414 Margriet Taye, Roelofs dochter
  • 04 1439 Jan Jan Happaert na dood van zijn moeder Margareta
  • 05 6 oktober 1483 Lodewijck Happaert na dood van zijn vader Jan
  • 06 11 oktober 1511 Adriaen Happaert na de dood van zijn vader Lodewijck
  • 07 14 december 1528 Anthonij Happaert (1/3 deel)
  • 08 7 september 1529 Peter Jansz. van Balen (1/3 deel) gekocht van Anthonij Happaert
  • 09 3 september 1530 Adriaen Happaert vernadert dit deel
  • 10 5 maart 1534 Kathereijne, Marie en Lijsbeth Happaert
  • 11 23 oktober 1536 Jan Janss. Schoenmaker gekocht van Kathelijn Happaert
  • 12 7 september 1537 Jan Happaert vernadert de Strijdhoeven
  • 13 21 november 1550 Henrick Geerartss. van Deventheren
  • 14 12 maart 1556 Katharina vanden Kerckhove, weduwe Henrick van Deventher
  • 15 13 oktober 1556 Diederick Aerts de Jonghe (de helft van de weduwe Van Deventher)
  • 16 12 maart 1557 Jacob Geerartss. van Deventheren
  • 17 26 maart 1565 Diederick Aerts Diericx
  • 18 17 oktober 1577 Jacob Jans Bacx

25 maart 1592 Splitsing Grote – en Kleine Strijdhoeve bij de dood van Jacob Jans Bacx


Eigenaren van De Grote Strijdhoeve

  • 19 25 maart 1592 Jacob Bacx na dood van zijn grootvader Jacop verheft de Grote Strijdhoeve
  • 20 28 maart 1620 Jonker Peter van Broechoven
  • 21 23 november 1637 Johan Martijn van Broechoven heer van Arendonk enz.
  • 22 11 april 1679 Marie Françoise, dochter van Charles Alexandre de Borges, baron van Zetruyt
  • 23 Otto Ferdinand, Grave van Diedericksteijn, man van Anna Maria Hiacyntha van Broechoven
  • 24 29 april 1687 Antony Verster
  • 25 22 december 1719 Adriaen van Borssele van der Hooge, heer van Geldermalsen enz.
  • 26 19 januari 1761 Seyna Anna Elisabeth van Borssele, gehuwd met Willem baron van Dopff


Eigenaren van De Kleine Strijdhoeve

  • 19 25 maart 1592 Jan Bacx na de dood van zijn grootvader Jacop verheft de Kleine Strijdhoeve
  • 20 17 oktober 1659 Sophia van Golsteijn, weduwe van den Ritmeester Jan Bacx
  • 21 27 februari 1663 Paulus Bacx na overlijden van zijn moeder Sophia van Golsteijn
  • 22 26 september 1674 Geertruijt Sem, wed. van Paulus Bacx
  • 23 1 juli 1688 Johanna Sophia Bacx na dood van haar moeder Geertruijt Sem
  • 24 20 juli 1694 Anna Johanna Bacx, weduwe van Antony Ooms
  • 25 16 juni 1698 Johan de Vigne bij koop van Anna Johanna Bacx
  • 26 22 oktober 1709 Arnoldus de Vien na dood van zijn vader Johan
  • 27 18 juli 1750 Peternel de Vien, weduwe van Heeswijk
  • 28 13 april 1753 Pero van Heeswijk
  • 29 1 februari 1771 Willem Jacob Frederik, Baron van Dopff
  • 30 29 augustus 1796 Seyna Anna Elisabeth van Borssele, douairière van voornoemde baron Van Dopff
  • 31 1825 Jan Carel Frederik van Franckenberg en Proschlitz


De pachters


De eigenaren van leengoederen zijn maar zelden zelf actief als boer. In bijna alle gevallen zijn de goederen met hun hoeven en boerderijen een bron van inkomsten. Door de landerijen te verpachten kunnen ze inkomsten verkrijgen. Voor de eigenaren blijft dan alleen de taak om er voor te zorgen dat de gebouwen in goede staat blijven en de landerijen goed beheerd worden. De pachters mogen in de meeste gevallen de onkosten voor het onderhoud aan gebouwen en omheiningen inhouden van hun pachtsom. Soms krijgen ze het materiaal van de eigenaar en moeten ze zelf de arbeid betalen, of krijgen daarvoor een gedeelte terug in de vorm van korting op de pachtsom. Door de gebouwen en de landerijen in goede staat te houden blijft een hoeve aantrekkelijk voor pachters en kan de verpachter er een goede prijs voor krijgen. Pachter en eigenaar zijn in dat opzicht in zekere zin op elkaar aangewezen. In de praktijk blijven pachters soms generaties lang op dezelfde boerderij wonen en werken.

Het oudst bekende pachtcontract is gesloten voor de schepenen van Oisterwijk op 19 oktober 1421. Op die dag verhuurt Elisabeth van de Werve, weduwe van Roelof Taye, de achterste twee van de Strijdhoeven (des heerden hoeve en des ridders hoeve) aan Jan Peter de Ridder en zijn oom Willem de Ridder voor 51 gouden kronen per jaar. Het pachtcontract wordt afgesloten voor de duur van 12 jaar. De huurders of pachters beloven die pacht elk jaar in Brussel te komen betalen op Allerheiligen (1 november) of binnen 8 dagen na Allerheiligen. Deze beide hoeven liggen aan die scoerstraete, waarmee deze straatnaam ook op aanzienlijke ouderdom kan bogen. Op dezelfde dag huurt Aleijt Goossen Steenwech, weduwe van Willem Jan de Cantor, met haar drie zonen, Cornelis, Daniël en Wouter, de andere twee Strijdhoeven (scerpenbroecs hoeve en loijaerts hoeve) voor 52 gouden kronen per jaar. Ook die pacht bestrijkt 12 jaar. Deze hoeven liggen aan der cruijsstraten. Op 15 maart 1422 draagt Aleijt deze pacht over aan Godevaert Hessels en Steven Henric Stevens van de Amervoert. Aangezien het schepenprotocol van Oisterwijk, waarin deze pachtcontracten teruggevonden zijn, bewaard is gebleven vanaf 1418, is de kans klein dat we oudere pacht- of huurcontracten zullen terugvinden. Op 19 oktober 1433 verhuurt jonkvrouw Margareta Roelof Taye de twee voorste hoeven voor opnieuw 12 jaar aan 9 mannen Stheven Henric Sthevens van den Amervoirt, Aert van Benacht, Jan Aerts van Gorchem, Pauwels die Wolf, Gherijt Gherijt van Buerden, Jan Willen Godert van den Avoert, Willem Wijtman Willem Grieten, Aert die Moelner en Jan Aert Langerbeens. De pachters betalen 60 gouden schilden genaamd Klinkaard op Allerheiligen of Sint Maarten (11 november) in Brussel. Henric van Ethen, Wouter Jans van den Loe, Jan Peters die Ridder, Herman Willems Ridders en Stheven Meeus Sthevens pachten de achterste twee hoeven voor 54 gouden schilden. Het valt in beide pachtcontracten op, dat de voorste hoeven meer opbrachten dan de achterste. Dat zou er mee te maken kunnen hebben dat de kwaliteit van de landerijen van de voorste twee hoeven beter was dan die van de achterste. Beide bovengenoemde pachtcontracten houden geen stand. Jan Happaert verheft het leengoed in 1439. Daarmee krijgt hij de zeggenschap. Hij pakt het anders aan. Hij verpacht op 29 december 1439 in één keer het hele leengoed van 48 bunder beemd die Strijthoven voor 12 jaar aan Henrick van Buedel en Meeus Stevens vander Amelvoirt. Zij betalen hem daarvoor 113 peters per jaar op Sint Maarten. De “peter” was een middeleeuwse munt, net als de hiervoor genoemde “gouden kroon” en “gouden schild”. Vervolgens gaan de nieuwe pachters delen van de vier hoeven onderverhuren. Op deze manier heeft Jan Happaert maar met twee pachters te maken en niet met een hele rits zoals zijn voorgangers. Mogelijk levert hem dat ook meer inkomsten op. Nadat Dirck die Lu in 1440 eentwaalfde deel van deze pacht mee was gaan dragen, verhuren de drie pachters de achterste hoeve op 10 maart 1440 aan zes huurders. Die betalen 35 peters per jaar. Waarschijnlijk door het overlijden van Meeus Stevens van der Amelvoirt moet het pachtcontract voor de hele Strijdhoeven in 1442 vernieuwd worden. De nieuwe pachters, Henrick Jan van Buedel en Jan Meeus Stevens vander Amervoert, pachten de 48 bunder nu voor een periode van 9 jaar en betalen daarvoor 100 peters op Sint Maarten. De familie Vander Amervoert blijft de hele 15de eeuw de hoofdpachter van de Strijdhoeven, met nieuwe pachtcontracten in 1476 en 1483. In 1492 is Anthonie Jan van der Amervoert de nieuwe pachter voor zes jaar.


De familienaam Van Strijdhoven


Nog altijd woont in Udenhout de familie Van Strijdhoven. Mogelijk is er een verband te leggen met de Udenhoutse Strijdho(e)ven. Mogelijk heeft de stamvader één van de Udenhoutse Strijdhoeven bewoond en is zo de familienaam ontstaan. Bewijs uit de archiefbronnen is hiervoor echter nog niet geleverd. De familienaam wordt consequent geschreven als Van Strijdhoven. Uit de volkstelling van 1947 blijkt dat het om een relatief kleine familie gaat met 35 naamdragers in zes verschillende gemeenten, waarvan er vijftien in Udenhout woonden.


Mystiek


De oudste geschiedenis van de Strijdhoeven is met mystiek omgeven. We vertellen wat we hebben gehoord, zonder enige bijdrage te kunnen leveren aan het oplossen van het mysterie. De eerste vermelding van het landgoed de Strijdhoeven dateert van midden 14e eeuw. Dat is zacht uitgedrukt vreemd. De Abdij van Tongerlo kreeg al in 1232 het recht op houtkap in Udenhout waarmee de ontginning van Udenhout een aanvang nam. Met de jaren kwamen er landgoederen en hoeven, vooral rond 1300. Als we eens kijken naar enkele goederen in Udenhout en Biezenmortel, dan horen we al in 1306 van den Ascot bij de Ascotsesteeg, in 1309 van ’t Hooghout, in 1312 van ’t Clappend Scoor verderop in de Schoorstraat, in 1314 van de Vorselaar in Biezenmortel, etcetera. En dat enorm grote landgoed midden in Udenhout zou er dan pas zijn geweest in 1350. Onvoorstelbaar. Dat landgoed moet veel ouder zijn.

Er worden verhalen verteld. Er wordt verteld dat er vroeger een klooster stond en dat kasteel De Strijdhoef zou zijn gebouwd op de fundamenten van het oude klooster. Er wordt verteld dat de monniken ooit met geweld uit hun klooster zijn verdreven en allemaal zijn opgehangen in het Klapbos. Dat bos ligt aan de Kuilpad, het oude pad vanaf de oude Groenstraat (nu Slimstraat ter hoogte van de Goudsbloem) naar de Houtsestraat, heel precies aan een pad van de Kuilpad rechtstreeks naar het kasteel, waar dus heel vroeger een klooster zou hebben gestaan. Ter hoogte van het Klapbos stond een doodspaal, een herinnering aan de moordpartij.

Als er ook maar iets waar is van deze verhalen, zou daar de verklaring liggen van de oorspronkelijke opdeling van de Strijdhoeven in de Grote Strijdhoeven en de Kleine Strijdhoeven, waarbij de Kleine Strijdhoeven functioneel (brouwerij, smederij, paardenstal, e.d.) ten dienste stonden van de Grote Strijdhoeven, waarbij de monniken dan moeten hebben gewoond op de Heerdenhoeve (de heerd, de haard, misschien de boerderij) en de Ridderhoeve. En zo krijgt de naam Ridderhoeve een bijzondere betekenis.


Huidige bewoning


Op het grondgebied van de oude hoeve vinden we de woningen Schoorstraat 2 en Schoorstraat 14.


Bronvermeldingen


Regionaal Archief Tilburg, archiefnummer 851, Notariële archieven Oisterwijk, 1594-1925, inv.nr. 71, f. 37 (1723)
Regionaal Archief Tilburg, archiefnummer 847, Schepenbank en eninge van Oisterwijk, 1418-1811, inv.nr. 143 f. 115v (1421); inv.nr. 144 f. 1 los blad (1422); inv.nr. 148 f. 27v (1439); inv.nr. 469 f. 248-249v (1719); inv.nr. 472 f. 158-159 (1770).
Stadsarchief 's-Hertogenbosch, Archief van de schepenbank van 's-Hertogenbosch, inv.nr. 1210 f. 129 (1439), f. 129 (1440); f. 47v (1440); inv.nr. 1213 f. 154 (1442); inv.nr. 1253 f. 5 (1483); inv.nr. 1261 f. 9 (1492); inv.nr. 1856 f. 67v-69 (1619); inv.nr. 1714 f. 80 (1719).
Berkelmans, G., (1977). Het leengoed De Strijdhoeven ten tijde van Jacob Bax. De Kleine Meijerij, 28(2), 22-40.
Fasel, W. A., 1973). Het kasteel De Strijdhoef te Udenhout. De Kleine Meijerij 24(1), 1-5.
Heemcentrum ’t Schoor, (2011). Over ’t Kasteel. Udenhout, Heemcentrum ’t Schoor.
Mire, Le, L., (1950). Het kasteel De Strijdhoef te Udenhout (I). De Kleine Meijerij, 4(3), 3.
Mire, Le, L., (1950). Het kasteel De Strijdhoef te Udenhout (II). De Kleine Meijerij, 4(4), 2.
Smulders, F. W., (1948). De vier Hoeven van de Strijdhoef (Udenhout). De Kleine Meijerij 3(12).
Smulders, F. W., (1951). De Strijdhoeven. De Kleine Meijerij 4(8), 1.
Smulders, F. W., (1956). De Strijdhoeven in Udenhout. De Kleine Meijerij 9(9), 20-21.
Smulders, F. W., (1956). De Strijdhoeven in Udenhout. De Kleine Meijerij 10(2), 16.
Smulders, F. W., (1958). De Strijdhoeven in Udenhout. De Kleine Meijerij 11(11), 12-13.
Voort, van de, J., (1982). Kasteel de Strijdhoef te Udenhout. Udenhout. Scouting St. Lambertus Udenhout.
- Toelichting cijnsregister.