--Zie diverse aktes--

Terug naar: Joannes Martinus Leijten


Tilburg Not.akte 155/50 (5-8-1806) Akte van deling:
Jan Baptist Peter Leijten als man en momboir (=voogd) van Justina Maas en anderen verklaren met den anderen te hebben aangegaan en gemaakt de navolgende erfscheijding en deeling der goederen ons aangekoomen van wijlen onze vrome vader Jan Maas alhier onlangs binnen Tilburg overleden.
Jan Baptist Peter erft diverse stukken ackerland gelegen aan de Berkdijk en een stuk heijbodem gelegen aan de Kalverstraat.



Tilburg ORA R423-100-1809 (7 oktober 1809) Koopakte
Jan Baptist Peter Leijten wonende alhier cedit (=verkoopt) aan Jan Adriaan Lenaars mede alhier woonagtig:
Een parceel akkerland, groot 3 1/2 lopensaet gelegen aan de Berkdijk, aldaar "oost" den koper, "zuid" en "noord" de kinderen Christiaan Vermeer en "west" de Weduwe Backx.
item een parceel bosch, groot 19 roeden, gelegen alhier onder Tilburg in 't Laar aldaar "oost" de kinderen Cornelis Zegers, "west" 't kind van Jan Baptist van Roessel, "zuid" Jan Aarts en "noord" de weduwe de Jong
de Koopsom bedroeg 400 gulden


Tilburg Not.akte 158/25 (25-4-1809) Testament voor de langstlevende.



Tilburg Not.akte 171/20 (25 februari 1818) akte van inventarisatie

Op heden woensdag den 25e februari 1818, des voormiddags ten negen uren, ten verzoeke van Jan Baptist Leijten, landbouwer, wonende te Tilburg, hierbij tegenwoordig.
Zoo in zijn naam uit hoofde van de gemeenschap van goederen welke er bestaan heeft tusschen hem en zijn overledene huisvrouw Justina Maas, als uit hoofde en in naam als voogd over Peter oud zeventien jaren, Johannes oud vijftien jaren, Jan Baptist oud twaalf jaren,Martinus (=Joannes Martinus)  oud agt jaren en Maria oud vijf jaren, minderjarige kinderen van hem en van voornoemde zijne huisvrouw.
In tegenwoordigheid van Daniel Verriel, landbouwer wonende te Tilburg in kwaliteit als toeziende voogd over gezegde minderjarigen, zijnde tot dezen door hem aangenomen post verkozen bij besluit van de bloedverwanten en vrienden van de minderjarigen bij wijze van familieraad vergadert onder voorzitting van de heer Johannes Franciscus Josephus Baesten, vrederechter van het kanton Tilburg
Hierna wordt overgegaan tot de inventarisatie en beschrijving van alle de meubelen, contante penningen, titels en papieren en in het algemeen van alle de roerende goederen behorende tot de gemeenschap, die tusschen voornoemde Jan Baptist Leijten en wijlen zijne huisvrouw bestaan heeft, en tot de nalatenschap van laatstgenoemde. Zijnde dit alles gevonden en berustende op de hierna genoemde plaatsen in een huis en aanhorige getimmertens staande te Tilburg, wijk Hoeven, gequoteerd Letter P, nr.432, alwaar de voornoemde Justina Maas huisvrouw van Jan Baptist Leijten gewoond heeft en op den elfde september agtien hondert vijftien is overleden.
Dit gedaan zijnde is men overgegaan tot de inventarisatie als volgt:

   In het woonvertrek of keuken, uitziende op de straat is bevonden:

  • negen meest defecte stoelen en twee gemeene tafels gewaardeerd op 1 gulden
  • eene bruin houten opgelegde kast gewaardeerd op 4 guldens
  • een gemeen eekens kasje gewaardeerd op 10 stuivers
  • een klein spiegeltje, houte rek met twaalf tinnen borden, drie dito schotels

  kannetje, mostaardpot, peperbos en zoutvat, trekpot, thébos, twee kannen
  een waterfles, alles van tin. Een houte rekje met negentien tinne lepels
  een blikke lamp, twee dito maatjes en dito tregter tezamen gewaardeerd op 3 guldens

  • een koperen roomkan, dito beddepan, dito theebos, twee dito kandelaars, dito lamp

  en twee dito maatjes, gewaardeerd op 3 guldens

  • zes zoo grote als kleine ketels, een waterketel, een koffijketeltje en een zeegschotel

  alles van koper, gewaardeerd op 12 guldens

  • drie tinne schotels, gewaardeerd op 1 gulden en 10 stuivers
  • drie eijzere ketels, twee houte emmers, brandijzerhaal en tang, koekpan en hangijzer

  een gordijnroede, een geweer, twee schilderijtjes, een schooldoos, een mes
  en twaalf stalen vorken, gewaardeerd op 2 guldens en 2 stuivers

  • zeven schotels en zeven borden, een kabinetstelzel van vijf stuks en vijf kopjes en

  schoteltjes, alles aardewerk en eenige flesjes en rommel, gewaardeert op 1 gulden en 15 stuivers

  • een veere bed, twee wolle dekens, een paar slaaplakens en een kussen, twee bedgordijnen en

  valletje, gewaardeerd op 5 guldens

  • een houte krib met een peulue en dekzel of soort van deken, gewaardeerd op 15 stuivers.


   in de hiervoor vermelde bruin houte kast:

  • een beddetijck en dito voorhoofdpeulue, een slaaplaken en een kerkboek, gewaardeert op 5 guldens
  • drie vrouwe jakken en drie dito rokken, gewaardeert op 4 guldens


   op de kelderkamer uitziende op de straat is bevonden:

  • een grote houte kist, dito karkisje, een stoel, een kinderstoel, een korenvat, zaaijkorf

  en wan, twee boter- of hengelkorven, gewaardeert op 3 guldens en 10 stuivers

  • kaffebed, twee lakens, een deken, twee bedgordijnen en valletje, gewaardeert op 1 gulden
  • eenige rommel geen omschrijving waardig, gewaardeert op 4 stuivers


   op de zolder is bevonden:

  • een haspel, een kinderwieg, vijf strooije korven, een wan, houte bak, osse-juk en eenige andere rommel

  geen omschrijving waardig, gewaardeert op 1 gulden

  • circa hondert dertig vaten haver, agt vaten boekwijt, agt vaten gerst, een vat erwten

  en twee vaten winterzaad, tezamen gewaardeert op 84 guldens en 15 stuivers

   Op de goot is bevonden:

  • een boterstand en roomtobbe, een gootbank, schraag, twee waschkuipen, een baktrog, wan,

  werkblok en eenige rommel, gewaardeert op 3 guldens

  • een kaffebed en dito peulue, een deken, twee gordijnen voor het bed en valletje, 15 stuivers


   In de kelder is bevonden:

  • een boterschotel, een tobbe, olijvaatje, zes aarde potten, eenige weinige boterspekvet, en

  circa vier vaten aardappelen, gewaardeert op 14 guldens

   In de grote kamer uitziende op de straat is bevonden:

  • een botermolen gewaardeert op 4 guldens
  • De rekwirant zegt, dan denzelven in zijnen weduwlijken staat heeft aangekogt

  circa veertig vaten aardappelen, gewaardeert op 10 guldens

   In de stal is bevonden:

  • een appelbloesem twee jarig ruin paard, gewaardeert op 150 gulden

  de rekwirant zegt dat gezegde paard in weduwlijken staat heeft aangekogt, doch daartegens
  het paard het welk tot dezen boedel behoord heeft, heeft verkogt voor 130 guldens.

  • een zwarten os, gewaardeert op 10 guldens
  • een zwart bonte koe gewaardeert op 30 guldens
  • een dito gewaardeert op 40 guldens
  • een dito gewaardeert op 30 guldens
  • eenig paarde en ossegetuig als zadel, haam, alles slegt, gewaardeert op 4 guldens
  • vijf koebakken, eene tafel, een kruijwagen, vier rieken, vier schoppen, een grijf, een bijl en

  hak, zaag en slijpsteen, tezamen gewaardeert op 3 guldens

   In de schuur is bevonden:

  • circa drie duizend ponden hooij gewaardeert op 18 gulden
  • omtrend duizend pond ongedorste spurrie gewaardeert op 4 guldens
  • omtrend tien duizend ponden haver en rogge en strooij, gewaardeert op26 guldens
  • een snijbak, een kafmolen, drie vlegels, een gaffel, gewaardeert op 2 guldens en 10 stuivers


   In het schop is bevonden:

  • eenige weinige turf en hout, gewaardeert op 1 gulden


   Op de erf of werft is bevonden:

  • een hoogkar, gewaardeert op 10 guldens
  • eene aardkar, gewaardeert op 6 guldens
  • een dito slegte, gewaardeert op 2 guldens
  • een ploeg en twee eegten(=eggen), gewaardeert op 3 guldens
  • een aardappelkuil waarin volgens declaratie van den rekwirant circa twee hondert vijftig vaten

  aardappelen, gewaardeert op 46 guldens en 5 stuivers

   '...........TOTAAL 582 guldens en 11 stuivers'

   Titels en papieren

  • eerstelijk een transport gepasseerd den 29 september 1800, waarbij aan Jan Baptist Peter Leijten

  is opgedragen een parceel moerveld of uitgestoke putten groot een en een half lopenzaad
  gelegen te Tilburg ter plaatse genaamd "den ouden draaijboom", welk stuk is
  gequiteerd en geparapheerd als eenig stuk en geinventariseerd onder nr. EEN

  • Een stuk zijnde een vestbrief gepasseerd voor schepenen van Tilburg en Goirle den twee en twintigsten juni 1807

  waarbij aan Jan Baptist Peter Leijten is opgedragen een huis met hof en erven, groot
  te zamen vijf en dertig roeden staande en gelegen te Tilburg aan de Hoeven, welk
  stuk is geinventariseerd onder nr. TWEE

  • een stuk zijnde een soort van kwitantie of notitie wegens ontvangst van een hondert vijftig guldens

  op afrekening van drie hondert guldens door Gijsbert Haans van Jan Baptist Peter Leijten
  en houdende dagtekening 8 januari 1815, geinventariseerd onder nr. DRIE
  De Requirant zegt dat dezen betaling is verstrekt in mindering van de koopsom van een
  parceel weide groot circa twee lopenzaad gelegen te Tilburg wijk Hoeven, door hem gekogt
  van Gijsbert Haans en waarvan de helft of een hondert vijftig guldens nog onvoldaan is gebleven

  • Wijders declareerd den requirant dat behalve diverse goederen welke staande huwelijk zijn aangekomen, als voor de helft, het door hem bewoonde huis met omtrend agtien lopenzaad land en weide, bij successie van zijne moeder Johanna Oerlemans weduwe Peter Willem Leijten. 2e Een parceel akkerland groot omtrend twee lopenzaad gelegen te Tilburg wijk Berkdijk, alsmede de helft van een heijveld groot in het geheel drie lopenzaad, gelegen onder Tilburg bij Gilze over de Leij, bij successie van der vrome ouders Jan Maas en Johanna Mommers, dezen boedel nog te pretendeeren heeft van Daniel Verriel de somme van 60 guldens
  • Dan dat daar en tegens den boedel schuldig is te weten:
      1. aan Christiaan Adriaan Leijten eene obligatie groot zes hondert guldens, lopende op intrest van drie en een half percent.
      2. aan Elisabeth Adams zestig guldens.
      3. aan de medecine doctor Vissers agt guldens.
      4. aan de Chirurgijn Bolsius twaalf guldens.
      5. aan Maria Allegonda Horsten agt guldens en agt stuivers.
      6. aan Nicolaas van Helfteren zeventien guldens.
      7. aan zijn broeder Wilhelmus Leijten vijftig guldens.
      En wijders dat dezen boedel alnog schuldig was aan de weduwe Simon van Pelt de somme van een hondert guldens.


Tot al het voorschrevene is men bezig of werkzaam bij eene drievoudige taxatie van smorgens negen tot namiddags zes uren etc.


Tilburg Not.akte 181/43 (7 maart 1828)




Terug naar Leijten, Joannes Martinus